Hoofdstuk 3 – Tijd van monniken en ridders
3.1 – Leenheren en leenmannen
Kenmerkend aspect: Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur. Omstreeks 800
kwam in het Frankische rijk van Karel de Grote het feodale stelsel tot ontplooiing. Voor het
bestuur van hun rijk gebruikten koningen lokale edelen, die als leenheren trouw moesten
zijn aan hun leenheer, de koning. Rijke edelen hadden legertjes met soldaten te voet en
ridders met dure uitrustingen. Vanaf de 9e eeuw bevorderde het leenstelsel de politieke
versnippering van West-Europa.
In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen van het Romeinse Rijk weg doordat Germaanse
stammen met grote aantallen de provincies binnentrokken, ook wel volksverhuizingen
genoemd. De gevolgen waren dramatisch, er was geen centraal aangestuurd leger meer
voor de plaatselijke bevolking en dus vluchtten veel mensen. Landbouwgronden en steden
werden achtergelaten waardoor de voedselvoorziening en handel instortten. Er werd
geplunderd, gevochten en er ontstonden hongersnoden. De Germanen gingen geleidelijk
leven zoals de Romeinen dat gedaan hadden. Ze vormden de nieuwe elite maar gebruikten
de kenmerken die ze nuttig vonden van de Romeinse cultuur.
In Gallië vielen vooral Franken binnen en als krijgsheren heersten zij over de Gallo-Romeinen
en hun eigen stammen.
De Frankische koning Clovis wilde zijn gezag aanvaardbaar maken, dat deed hij door middel
van aansluiting te zoeken bij de Gallo-Romeinse elite. Dat deed hij al vroeg, en door het
uitschakelen van lokale stamhoofden kon hij zichzelf na 20 jaar koning der Franken noemen.
Om de macht te behouden vermoordde hij alle mannelijke familieleden van de verslagen
heersers in de veroverde gebieden en hij bekeerde zich tot het christendom.
Clovis kon het veroverde gebied niet helemaal in z’n eentje in de hand houden, dus daarvoor
had hij vazallen / krijgslieden. Zij legden in ruil voor beloningen (juwelen, goud) de eed van
trouw af. Voor de administratieve kant had hij ook vazallen die de eed van trouw aflegden.
Vazallen leefden aan het hof en de koning onderhield ze.
Nadat Clovis doodging werd het rijk verdeeld onder zijn zonen, die het niet zo goed deden
en uiteindelijk Karel Martel aan de macht kwam. Karel moest vaak veldslagen voeren, daar
had hij soldaten en ridders voor nodig. Ridders onderscheidden zich van soldaten door het
bezit van een paard en wapens. Dit was echter heel kostbaar, en wilde Karel dat doen moest
hij ze belonen met land, een leen. Zo ontstond het feodalisme / leenstelsel. Koning –
leenheer, ridder – leenman.
De kleinzoon van Karel Martel, Karel de Grote, bouwde het leenstelsel verder uit: het gebied
werd verdeeld in graafschappen en iedere graaf moest zelf zorgen voor koninklijk gezag in
hun gebied. Ze moesten rechtspreken en wetten van de koning op volgen, om dat de
controleren stelde Karel zendgraven aan. Markgraven kregen gebied aan de rand van het
gebied, zodat ze het gebied konden beschermen tegen invallen. De koning zelf trok ook rond
en als de koning in een burcht verbleef was die palts de tijdelijke hoofdstad van het rijk waar
alle raadsvergaderingen en rechtszittingen werden gehouden.
Door het grote gebied dat Karel had, kreeg hij veel aanzien. In 773 werd hij door de paus
gevraagd om hulp om de kerk te beschermen. Na een tweede keer werd in 800 Karel tot
keizer gekroond en gezien als opvolger van de Romeinse keizers. Hierdoor kreeg hij
problemen met de keizer van het byzantijnse rijk, de oorspronkelijke oostelijke helft van het
Romeinse Rijk. Zij hadden zich weten te redden tijdens de volksverhuizingen en de keizers
3.1 – Leenheren en leenmannen
Kenmerkend aspect: Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur. Omstreeks 800
kwam in het Frankische rijk van Karel de Grote het feodale stelsel tot ontplooiing. Voor het
bestuur van hun rijk gebruikten koningen lokale edelen, die als leenheren trouw moesten
zijn aan hun leenheer, de koning. Rijke edelen hadden legertjes met soldaten te voet en
ridders met dure uitrustingen. Vanaf de 9e eeuw bevorderde het leenstelsel de politieke
versnippering van West-Europa.
In de 5e eeuw vielen de noordelijke grenzen van het Romeinse Rijk weg doordat Germaanse
stammen met grote aantallen de provincies binnentrokken, ook wel volksverhuizingen
genoemd. De gevolgen waren dramatisch, er was geen centraal aangestuurd leger meer
voor de plaatselijke bevolking en dus vluchtten veel mensen. Landbouwgronden en steden
werden achtergelaten waardoor de voedselvoorziening en handel instortten. Er werd
geplunderd, gevochten en er ontstonden hongersnoden. De Germanen gingen geleidelijk
leven zoals de Romeinen dat gedaan hadden. Ze vormden de nieuwe elite maar gebruikten
de kenmerken die ze nuttig vonden van de Romeinse cultuur.
In Gallië vielen vooral Franken binnen en als krijgsheren heersten zij over de Gallo-Romeinen
en hun eigen stammen.
De Frankische koning Clovis wilde zijn gezag aanvaardbaar maken, dat deed hij door middel
van aansluiting te zoeken bij de Gallo-Romeinse elite. Dat deed hij al vroeg, en door het
uitschakelen van lokale stamhoofden kon hij zichzelf na 20 jaar koning der Franken noemen.
Om de macht te behouden vermoordde hij alle mannelijke familieleden van de verslagen
heersers in de veroverde gebieden en hij bekeerde zich tot het christendom.
Clovis kon het veroverde gebied niet helemaal in z’n eentje in de hand houden, dus daarvoor
had hij vazallen / krijgslieden. Zij legden in ruil voor beloningen (juwelen, goud) de eed van
trouw af. Voor de administratieve kant had hij ook vazallen die de eed van trouw aflegden.
Vazallen leefden aan het hof en de koning onderhield ze.
Nadat Clovis doodging werd het rijk verdeeld onder zijn zonen, die het niet zo goed deden
en uiteindelijk Karel Martel aan de macht kwam. Karel moest vaak veldslagen voeren, daar
had hij soldaten en ridders voor nodig. Ridders onderscheidden zich van soldaten door het
bezit van een paard en wapens. Dit was echter heel kostbaar, en wilde Karel dat doen moest
hij ze belonen met land, een leen. Zo ontstond het feodalisme / leenstelsel. Koning –
leenheer, ridder – leenman.
De kleinzoon van Karel Martel, Karel de Grote, bouwde het leenstelsel verder uit: het gebied
werd verdeeld in graafschappen en iedere graaf moest zelf zorgen voor koninklijk gezag in
hun gebied. Ze moesten rechtspreken en wetten van de koning op volgen, om dat de
controleren stelde Karel zendgraven aan. Markgraven kregen gebied aan de rand van het
gebied, zodat ze het gebied konden beschermen tegen invallen. De koning zelf trok ook rond
en als de koning in een burcht verbleef was die palts de tijdelijke hoofdstad van het rijk waar
alle raadsvergaderingen en rechtszittingen werden gehouden.
Door het grote gebied dat Karel had, kreeg hij veel aanzien. In 773 werd hij door de paus
gevraagd om hulp om de kerk te beschermen. Na een tweede keer werd in 800 Karel tot
keizer gekroond en gezien als opvolger van de Romeinse keizers. Hierdoor kreeg hij
problemen met de keizer van het byzantijnse rijk, de oorspronkelijke oostelijke helft van het
Romeinse Rijk. Zij hadden zich weten te redden tijdens de volksverhuizingen en de keizers