Cognitieve - wpo
WPO’s – Cognitieve psychologie
1. Experimentele methode en verslaggeving P2
2. Subliminale priming P5
3. Mentale rotatie P12
4. Globale voorrang P16
1
, Cognitieve - wpo
1. Experimentele methode en
verslaggeving
1.1 Hypothese
Te testen verklaring voor een fenomeen
Wetenschap moet falsifieerbaar zijn
o Er moet een observatie gedaan kunnen worden waardoor je deze
hypothese kan ontkrachten
o Je moet een uitkomst KUNNEN bekomen waardoor de stelling ‘onderuit’ gaat, ontkracht is
Bv
o “Er bestaat een immateriële, almachtige God”
Kunnen we niet falsifiëren
o “Alle mensen zijn sterfelijk”
Kunnen we niet falsifiëren: we kunnen nooit weten of iemand niet sterft (we
moeten wachten tot na oneindig)
o “Alle mensen sterven voor ze 150 jaar worden”
Is WEL falsifieerbaar: vanaf er iemand 151 jaar wordt is deze stelling
ontkracht
o “Agressie wordt veroorzaakt door frustratie”
Beide begrippen zijn te abstract om wetenschappelijk te kunnen testen
(immaterieel karakter)
Oplossing: operationaliseren
Om een hypothese te kunnen testen, moeten concepten vaak geoperationaliseerd
worden
o Meting definiëren van niet-rechtstreeks meetbare fenomenen
o Voorbeeld frustratie:
De gemiddelde hoeveelheid stress-hormonen in het bloed
de voorbije zeven dagen
Aantal uren in de file gespendeerd de afgelopen week
Aantal mislukte pogingen om draad door de naald te
krijgen
Vaak moeilijk binnen de klinische psychologie
Statistische hypothesetoetsing:
o Nulhypothese: het gevonden patroon kan verklaard worden zonder het
verband dat de hypothese voorstelt (toeval), hypothese waarbij je zegt dat
er geen verschil is tussen bepaalde groepen, als er toch een verschil is dan
is deze puur toeval
Voorbeeld: gemiddelde IQ van 20 mannen = 100, 20 vrouwen = 110
Men gaat de spreiding gebruiken om de relevantie van dat verschil
te meten
0.06 een verschil van 10 punten: er is 6% kans dat je dit soort
verschil toevallig verkrijgt
2
, Cognitieve - wpo
Algemene regel is p<0.05 = significant (verwerpen nulhypothese)
Het is groter dan 0.05 dus de hulhypothese wordt hier aanvaard:
er is geen significant verschil tussen het IQ van deze 20 mannen en
deze 20 vrouwen
o Alternatieve hypothese: de nulhypothese valt niet vol te houden; dit
patroon is te onwaarschijnlijk p < .05
Alternatieve verklaringen blijven mogelijk
Je hebt niet bewezen dat er GEEN verschil is
Dus kom je minder dan 5% uit: dit is te onwaarschijnlijk
om aan toeval toe te schrijven
Op de rechtse grafiek is de spreiding kleiner gemaakt, de gemiddelden zijn hetzelfde
gebleven
o Hier is het wel heel significant en niet meer toe te schrijven aan toeval
o Je weet niet waarom! (kan je over speculeren/hypotheses rond vormen)
maat je weet wel dat de kans heel klein is dat dit toevallig is (p<0.05)
1.2 Causaliteit
Specifiek aan experimentele methode
o Mogelijkheid om causale verbanden na te gaan
1 of meer variabelen doelbewust gemanipuleerd
Al de rest zo veel mogelijk constant gehouden
Verschillen tussen condities zijn enkel door de
gemanipuleerde variabele
Between/Within Subjects manipulatie
Between: tussen proefpersonen twee groepen, een
groep is de controlegroep, de andere is de experimentele
Within: binnen proefpersonen dezelfde groep
ondergaat zowel de experimentele als de
controleconditie
Onafhankelijke variabele: gecontroleerd door de onderzoeker zelf (bv. dosis caffeïne)
Afhankelijke variabele: variabele die gemeten worden door de onderzoeker (bv.
zenuwachtigheid)
3
WPO’s – Cognitieve psychologie
1. Experimentele methode en verslaggeving P2
2. Subliminale priming P5
3. Mentale rotatie P12
4. Globale voorrang P16
1
, Cognitieve - wpo
1. Experimentele methode en
verslaggeving
1.1 Hypothese
Te testen verklaring voor een fenomeen
Wetenschap moet falsifieerbaar zijn
o Er moet een observatie gedaan kunnen worden waardoor je deze
hypothese kan ontkrachten
o Je moet een uitkomst KUNNEN bekomen waardoor de stelling ‘onderuit’ gaat, ontkracht is
Bv
o “Er bestaat een immateriële, almachtige God”
Kunnen we niet falsifiëren
o “Alle mensen zijn sterfelijk”
Kunnen we niet falsifiëren: we kunnen nooit weten of iemand niet sterft (we
moeten wachten tot na oneindig)
o “Alle mensen sterven voor ze 150 jaar worden”
Is WEL falsifieerbaar: vanaf er iemand 151 jaar wordt is deze stelling
ontkracht
o “Agressie wordt veroorzaakt door frustratie”
Beide begrippen zijn te abstract om wetenschappelijk te kunnen testen
(immaterieel karakter)
Oplossing: operationaliseren
Om een hypothese te kunnen testen, moeten concepten vaak geoperationaliseerd
worden
o Meting definiëren van niet-rechtstreeks meetbare fenomenen
o Voorbeeld frustratie:
De gemiddelde hoeveelheid stress-hormonen in het bloed
de voorbije zeven dagen
Aantal uren in de file gespendeerd de afgelopen week
Aantal mislukte pogingen om draad door de naald te
krijgen
Vaak moeilijk binnen de klinische psychologie
Statistische hypothesetoetsing:
o Nulhypothese: het gevonden patroon kan verklaard worden zonder het
verband dat de hypothese voorstelt (toeval), hypothese waarbij je zegt dat
er geen verschil is tussen bepaalde groepen, als er toch een verschil is dan
is deze puur toeval
Voorbeeld: gemiddelde IQ van 20 mannen = 100, 20 vrouwen = 110
Men gaat de spreiding gebruiken om de relevantie van dat verschil
te meten
0.06 een verschil van 10 punten: er is 6% kans dat je dit soort
verschil toevallig verkrijgt
2
, Cognitieve - wpo
Algemene regel is p<0.05 = significant (verwerpen nulhypothese)
Het is groter dan 0.05 dus de hulhypothese wordt hier aanvaard:
er is geen significant verschil tussen het IQ van deze 20 mannen en
deze 20 vrouwen
o Alternatieve hypothese: de nulhypothese valt niet vol te houden; dit
patroon is te onwaarschijnlijk p < .05
Alternatieve verklaringen blijven mogelijk
Je hebt niet bewezen dat er GEEN verschil is
Dus kom je minder dan 5% uit: dit is te onwaarschijnlijk
om aan toeval toe te schrijven
Op de rechtse grafiek is de spreiding kleiner gemaakt, de gemiddelden zijn hetzelfde
gebleven
o Hier is het wel heel significant en niet meer toe te schrijven aan toeval
o Je weet niet waarom! (kan je over speculeren/hypotheses rond vormen)
maat je weet wel dat de kans heel klein is dat dit toevallig is (p<0.05)
1.2 Causaliteit
Specifiek aan experimentele methode
o Mogelijkheid om causale verbanden na te gaan
1 of meer variabelen doelbewust gemanipuleerd
Al de rest zo veel mogelijk constant gehouden
Verschillen tussen condities zijn enkel door de
gemanipuleerde variabele
Between/Within Subjects manipulatie
Between: tussen proefpersonen twee groepen, een
groep is de controlegroep, de andere is de experimentele
Within: binnen proefpersonen dezelfde groep
ondergaat zowel de experimentele als de
controleconditie
Onafhankelijke variabele: gecontroleerd door de onderzoeker zelf (bv. dosis caffeïne)
Afhankelijke variabele: variabele die gemeten worden door de onderzoeker (bv.
zenuwachtigheid)
3