Beeldtechnologie
1. Luxtech
1.1. Oog – camera – lichtniveau – gevoeligheid
Vroeger:
- Pellicule
- Perceptie van het oog benaderen
- Max. 500 ISO (Lineair)
Nu:
- Digitale sensor
- Zien dingen die het oog niet meer kan waarnemen
- Imageprocessing/artificiële intelligentie
LOW LIGHT FILMEN: Bij weinig licht kan een digitale sensor meer tussentinten weergeven die we met
het oog niet meer zien. Is vaak esthetischer, maar minder scherptediepte. ( Blote oog bij low light
verdwijnen kleuren, contrastverhoudingen kloppen niet meer en dynamiek is minder.)
1.2. Tonal/color separation
TONAL SEPARATION: Scheiding van objecten door grijstinten in zwart wit.
Vroeger konden verschillende kleuren dezelfde grijstint worden.
COLOR SEPARATION: Scheiding van objecten door verschillende kleur.
Door tinten in de kleur de illusie geven van ‘dichte’ en ‘verre kleuren’.
1.3. Hard en zacht licht
Hard licht:
- Hoe kleiner de bron, hoe harder.
- Hoe verder de bron, hoe harder de schaduw.
- Hoe kleiner de gloeidraad, hoe harder.
- Bv: Kaars, volgspots, diaprojectoren.
Zacht licht:
- Hoe groter de bron, hoe zachter.
- Hoe dichter de bron, hoe zachter de schaduw.
- Omarmd.
- Kleinere schaduw.
- Zachter helderheidsverloop.
- ‘Mooier’.
- Moeilijk controleerbaar.
- Licht schaduwen op.
- Lichtsterkte neemt sterk af met afstand
Ongeschreven regel: Op gezichten altijd zacht licht. → Hard licht toont
rimpels/oneffenheden.
, 1.4. Oost-west concept
Huizen worden altijd met de grootste raampartij naar het zuiden gebouwd.
Noordkant eerder voor constant en zacht licht.
Gezicht uitlichten:
- 2 kanten
• KEY LIGHT: Harde hoofdlicht. Daarop bepaal je diafragma. (30°/45°)
• FILL LIGHT: Invullend zachter licht om schaduw op te lichten.
• (BACK LIGHT): Licht op achtergrond voor diepte.
1.5. Kenmerken van een lichtbron
LICHTSTROOM: Hoeveelheid licht er is.
- Recht evenredig met wattage. Hoe meer wattage, hoe hoger de spanning, hoe meer licht.
→ Spanning altijd rond 240 V.
- Hoeveelheid licht neemt af met het kwadraat van de afstand.
- Hoe verder een lichtbron van het onderwerp, hoe groter het oppervlak, hoe minder
lichtsterkte.
SPREIDING: Hoe breed de lichtbron wordt verspreid.
- Hangt af van optische configuratie armatuur en focalisatie systeem van lichtbundel.
- Hoe smaller de lichtvlek hoe groter de lichtsterkte.
- Soorten:
• OPEN FACE: Armaturen met een klein en integraal focalisatiebereik.
• FRESNEL LENZEN: Groter en egalere focalisatie.
• VOLGSPOTS: Nog grotere focalisatie.
KLEUR: Kleur van het licht.
- Hangt af van RGB-componenten en kleurtemperatuur.
- 2 basissoorten:
• Kunstlicht (3.200K)
• Daglicht (5.600K)
HARDHEID: Hoe hard of zacht licht is.
- Bij hard licht, harde schaduwen en zeer contrastrijke overgang van heldere en donkere
partijen.
- Bij zacht licht, zachte schaduwen en meer geleidelijke gradatie.
STRALILNGSRICHTING: Waar het licht naar straalt.
- 3 soorten:
• Evenwijdige lichtbron
• Divergerende lichtbron
• Rondom stralende lichtbron
1. Luxtech
1.1. Oog – camera – lichtniveau – gevoeligheid
Vroeger:
- Pellicule
- Perceptie van het oog benaderen
- Max. 500 ISO (Lineair)
Nu:
- Digitale sensor
- Zien dingen die het oog niet meer kan waarnemen
- Imageprocessing/artificiële intelligentie
LOW LIGHT FILMEN: Bij weinig licht kan een digitale sensor meer tussentinten weergeven die we met
het oog niet meer zien. Is vaak esthetischer, maar minder scherptediepte. ( Blote oog bij low light
verdwijnen kleuren, contrastverhoudingen kloppen niet meer en dynamiek is minder.)
1.2. Tonal/color separation
TONAL SEPARATION: Scheiding van objecten door grijstinten in zwart wit.
Vroeger konden verschillende kleuren dezelfde grijstint worden.
COLOR SEPARATION: Scheiding van objecten door verschillende kleur.
Door tinten in de kleur de illusie geven van ‘dichte’ en ‘verre kleuren’.
1.3. Hard en zacht licht
Hard licht:
- Hoe kleiner de bron, hoe harder.
- Hoe verder de bron, hoe harder de schaduw.
- Hoe kleiner de gloeidraad, hoe harder.
- Bv: Kaars, volgspots, diaprojectoren.
Zacht licht:
- Hoe groter de bron, hoe zachter.
- Hoe dichter de bron, hoe zachter de schaduw.
- Omarmd.
- Kleinere schaduw.
- Zachter helderheidsverloop.
- ‘Mooier’.
- Moeilijk controleerbaar.
- Licht schaduwen op.
- Lichtsterkte neemt sterk af met afstand
Ongeschreven regel: Op gezichten altijd zacht licht. → Hard licht toont
rimpels/oneffenheden.
, 1.4. Oost-west concept
Huizen worden altijd met de grootste raampartij naar het zuiden gebouwd.
Noordkant eerder voor constant en zacht licht.
Gezicht uitlichten:
- 2 kanten
• KEY LIGHT: Harde hoofdlicht. Daarop bepaal je diafragma. (30°/45°)
• FILL LIGHT: Invullend zachter licht om schaduw op te lichten.
• (BACK LIGHT): Licht op achtergrond voor diepte.
1.5. Kenmerken van een lichtbron
LICHTSTROOM: Hoeveelheid licht er is.
- Recht evenredig met wattage. Hoe meer wattage, hoe hoger de spanning, hoe meer licht.
→ Spanning altijd rond 240 V.
- Hoeveelheid licht neemt af met het kwadraat van de afstand.
- Hoe verder een lichtbron van het onderwerp, hoe groter het oppervlak, hoe minder
lichtsterkte.
SPREIDING: Hoe breed de lichtbron wordt verspreid.
- Hangt af van optische configuratie armatuur en focalisatie systeem van lichtbundel.
- Hoe smaller de lichtvlek hoe groter de lichtsterkte.
- Soorten:
• OPEN FACE: Armaturen met een klein en integraal focalisatiebereik.
• FRESNEL LENZEN: Groter en egalere focalisatie.
• VOLGSPOTS: Nog grotere focalisatie.
KLEUR: Kleur van het licht.
- Hangt af van RGB-componenten en kleurtemperatuur.
- 2 basissoorten:
• Kunstlicht (3.200K)
• Daglicht (5.600K)
HARDHEID: Hoe hard of zacht licht is.
- Bij hard licht, harde schaduwen en zeer contrastrijke overgang van heldere en donkere
partijen.
- Bij zacht licht, zachte schaduwen en meer geleidelijke gradatie.
STRALILNGSRICHTING: Waar het licht naar straalt.
- 3 soorten:
• Evenwijdige lichtbron
• Divergerende lichtbron
• Rondom stralende lichtbron