Anatomie & Fysiologie bewegingsaparaat
Ongeveer 206 botten
Functie skelet:
- Beweging (aanhechting spieren)
- Bescherming (zachte weefsels en organen)
- Bloedcelproductie (rode beenmerg)
- Opslag mineralen en energie (o.a. calcium)
- Steun en vorm
Opbouw van het bot
Normaal beenweefsel: harde tussencelstof bestaat voornamelijk uit collagene vezels.
Bloedvoorzieningen vanuit het periost
Kraakbeen: bevat geen klakzouten daardoor veel minder hard en buigzamer
Botvlies/beenvlies/periost:
- Stugge aanhechtingsplaats voor pezen en bindweefselbanden
- Bevat botvormende cellen (osteoblasten)
Soorten botten
- Pijpbeenderen: lang en dun (dijbeen, opperarmbeen)
- Platte beenderen: breed en plat (schedel, schouderblad)
- Inregelmatig gevormde beenderen (rugwervel, bekken)
Pijpbeenderen
Spongiosa: hier bevindt zich rode beenmerg. Hier worden erytrocyten, leukocyten en trombocyten
gevormd.
In onze ledematen, bevatten groeischijven = epifysaire schijf
Platte beenderen
- Bevat rood beenmerg waarin leukocyten, trombocyten en erytrocyten worden gevormd
- Vanuit buiten naar binnen:
Periost
Corticalis (schors)
Spongiosa met daarin het rode beenmerg.
Onregelmatig gevormde beenderen
- Verteberae
- Ossa carpi
- Ossa tarsi
, Botverbindingen
1. Bindweefselverbindingen: vb. schedel, tanden in kaakbot
- Stevigheid en stabiliteit, geen beweging
2. Kraakbeenverbindingen: vb. ribben, wervelschijven
- Beperkte beweging, kan veel kracht hebben
3. Synoviale verbindingen: ‘echte gewrichten’
- Maken grote bewegingen mogelijk
Synoviale gewrichten
1. Gewrichtskraakbeen: vangt drukkrachten op
2. Gewrichtsholte: bevat gewrichtsvloeistof
3. Gewrichtsvloeistof: ‘smeerolie’
4. Gewrichtskapsel: houdt botten bij elkaar
5. Bindweefselbanden: versterken botverbindingen
Soorten gewricht
1. Scharniergewricht: een beweging mogelijk (elleboog)
2. Kogelgewricht: kop en kom (heup, schoudergewricht)
3. Eivormig gewricht: eivormige kop en kom (pols)
4. Zadelgewricht: 2 assen (duimgewricht)
5. Rolgewricht: botten draaien om elkaar (spaakbeen/ellepijp)
6. Vlakgewricht: botten schuiven over elkaar (schouderblad)
Scharniergewricht:
Een scharniergewricht kan alleen heen en weer bewegen. Het scharniergewricht tussen de
opperarmbeen en de ellepijp
Kogelgewricht:
het kogelgewricht tussen opperarmbeen, schouderblad en sleutelbeen maakt alle bewegingen van
de arm mogelijk. Behalve de arm zelf bewegen ook het sleutelbeen en het schouderblad mee.
- De bovenarm kan bewegen dankzij spieren die aan het schouderblad, het borstbeen en het -
sleutelbeen vastzitten.
- De grote deltaspier wordt gebruikt om dingen op te tillen en de arm te draaien
Het heupgewricht is net als het schoudergewricht een kogelgewricht. Dankzij dit gewricht kan het
been alle kanten op bewegen.
Zadelgewricht:
Het zadelgewricht tussen de handwortel en het middenhandsbeentje van de duim, heeft zijn te
danken aan het feit dat de gewrichtsvlakken enigszins de vorm van een paardenzadel hebben.
Dit gewricht maakt dezelfde bewegingen mogelijk als een kogelgewricht.
Rolgewricht:
Dankzij het rolgewricht tussen spaakbeen en ellepijp kan de hand draaien.
Ongeveer 206 botten
Functie skelet:
- Beweging (aanhechting spieren)
- Bescherming (zachte weefsels en organen)
- Bloedcelproductie (rode beenmerg)
- Opslag mineralen en energie (o.a. calcium)
- Steun en vorm
Opbouw van het bot
Normaal beenweefsel: harde tussencelstof bestaat voornamelijk uit collagene vezels.
Bloedvoorzieningen vanuit het periost
Kraakbeen: bevat geen klakzouten daardoor veel minder hard en buigzamer
Botvlies/beenvlies/periost:
- Stugge aanhechtingsplaats voor pezen en bindweefselbanden
- Bevat botvormende cellen (osteoblasten)
Soorten botten
- Pijpbeenderen: lang en dun (dijbeen, opperarmbeen)
- Platte beenderen: breed en plat (schedel, schouderblad)
- Inregelmatig gevormde beenderen (rugwervel, bekken)
Pijpbeenderen
Spongiosa: hier bevindt zich rode beenmerg. Hier worden erytrocyten, leukocyten en trombocyten
gevormd.
In onze ledematen, bevatten groeischijven = epifysaire schijf
Platte beenderen
- Bevat rood beenmerg waarin leukocyten, trombocyten en erytrocyten worden gevormd
- Vanuit buiten naar binnen:
Periost
Corticalis (schors)
Spongiosa met daarin het rode beenmerg.
Onregelmatig gevormde beenderen
- Verteberae
- Ossa carpi
- Ossa tarsi
, Botverbindingen
1. Bindweefselverbindingen: vb. schedel, tanden in kaakbot
- Stevigheid en stabiliteit, geen beweging
2. Kraakbeenverbindingen: vb. ribben, wervelschijven
- Beperkte beweging, kan veel kracht hebben
3. Synoviale verbindingen: ‘echte gewrichten’
- Maken grote bewegingen mogelijk
Synoviale gewrichten
1. Gewrichtskraakbeen: vangt drukkrachten op
2. Gewrichtsholte: bevat gewrichtsvloeistof
3. Gewrichtsvloeistof: ‘smeerolie’
4. Gewrichtskapsel: houdt botten bij elkaar
5. Bindweefselbanden: versterken botverbindingen
Soorten gewricht
1. Scharniergewricht: een beweging mogelijk (elleboog)
2. Kogelgewricht: kop en kom (heup, schoudergewricht)
3. Eivormig gewricht: eivormige kop en kom (pols)
4. Zadelgewricht: 2 assen (duimgewricht)
5. Rolgewricht: botten draaien om elkaar (spaakbeen/ellepijp)
6. Vlakgewricht: botten schuiven over elkaar (schouderblad)
Scharniergewricht:
Een scharniergewricht kan alleen heen en weer bewegen. Het scharniergewricht tussen de
opperarmbeen en de ellepijp
Kogelgewricht:
het kogelgewricht tussen opperarmbeen, schouderblad en sleutelbeen maakt alle bewegingen van
de arm mogelijk. Behalve de arm zelf bewegen ook het sleutelbeen en het schouderblad mee.
- De bovenarm kan bewegen dankzij spieren die aan het schouderblad, het borstbeen en het -
sleutelbeen vastzitten.
- De grote deltaspier wordt gebruikt om dingen op te tillen en de arm te draaien
Het heupgewricht is net als het schoudergewricht een kogelgewricht. Dankzij dit gewricht kan het
been alle kanten op bewegen.
Zadelgewricht:
Het zadelgewricht tussen de handwortel en het middenhandsbeentje van de duim, heeft zijn te
danken aan het feit dat de gewrichtsvlakken enigszins de vorm van een paardenzadel hebben.
Dit gewricht maakt dezelfde bewegingen mogelijk als een kogelgewricht.
Rolgewricht:
Dankzij het rolgewricht tussen spaakbeen en ellepijp kan de hand draaien.