Monetaire zaken
Hoofdstuk 1
Geld heeft 3 functies:
1. Rekenmiddel
2. Ruilmiddel
3. Spaarmiddel
Chartaal geld = munten
Giraal geld = bankrekening/digitaal
Vermogen = waarde van bezittingen – schulden
Inkomen kun je besteden of sparen. Onder sparen vallen oppotten (liquide geld) of beleggen (iets
verdienen)
Liquide = onmiddellijk beschikbaar
Rente = de prijs die je betaald als je geld leent. Rente wordt bepaald door vraag en aanbod van geld.
Hoofdstuk 2
Een ruilmiddel heeft een paar eisen:
1. Het is deelbaar
2. Het is hanteerbaar
3. Het is waardevast
4. Het is niet reproduceerbaar
5. Het wordt algemeen geaccepteerd
De intrinsieke waarde = waarde van het materiaal
De extrinsieke waarde = waarde die op de munt staat. Dit wordt ook wel nominale waarde genoemd.
Als de nominale waarde groter is dan de intrinsieke waarde is er sprake van fiduciair geld. Dat is geld
op basis van vertrouwen.
Liquiditeitspercentage = ((kas + tegoed centrale bank) / rekening courant) x 100
Solvabiliteitsratio = (eigen vermogen / vreemd vermogen) x 100
De maatschappelijke geldhoeveelheid is gelijk aan de primaire liquiditeitenmassa.
Maatschappelijke geldhoeveelheid = chartale geldomloop + girale geldomloop
Op een bank-balans is te zien hoeveel krediet een bank heeft verleend.
Het depositogarantiestelsel zorgt er voor dat wanneer een bank failliet gaat, de klant gegarandeerd
de 1e 100.000 euro terug krijgt.
Hoofdstuk 1
Geld heeft 3 functies:
1. Rekenmiddel
2. Ruilmiddel
3. Spaarmiddel
Chartaal geld = munten
Giraal geld = bankrekening/digitaal
Vermogen = waarde van bezittingen – schulden
Inkomen kun je besteden of sparen. Onder sparen vallen oppotten (liquide geld) of beleggen (iets
verdienen)
Liquide = onmiddellijk beschikbaar
Rente = de prijs die je betaald als je geld leent. Rente wordt bepaald door vraag en aanbod van geld.
Hoofdstuk 2
Een ruilmiddel heeft een paar eisen:
1. Het is deelbaar
2. Het is hanteerbaar
3. Het is waardevast
4. Het is niet reproduceerbaar
5. Het wordt algemeen geaccepteerd
De intrinsieke waarde = waarde van het materiaal
De extrinsieke waarde = waarde die op de munt staat. Dit wordt ook wel nominale waarde genoemd.
Als de nominale waarde groter is dan de intrinsieke waarde is er sprake van fiduciair geld. Dat is geld
op basis van vertrouwen.
Liquiditeitspercentage = ((kas + tegoed centrale bank) / rekening courant) x 100
Solvabiliteitsratio = (eigen vermogen / vreemd vermogen) x 100
De maatschappelijke geldhoeveelheid is gelijk aan de primaire liquiditeitenmassa.
Maatschappelijke geldhoeveelheid = chartale geldomloop + girale geldomloop
Op een bank-balans is te zien hoeveel krediet een bank heeft verleend.
Het depositogarantiestelsel zorgt er voor dat wanneer een bank failliet gaat, de klant gegarandeerd
de 1e 100.000 euro terug krijgt.