1
ZELFSTUDIEOPDRACHT 5: LONGOEDEEM EN RESPIRATOIRE INSUFFICIËNTIE
Vraag 1:
Wat is de pathophysiologische basis voor longoedeem
PATHOFYSIOLOGIE LONGOEDEEM
Pulmonair oedeem = Abnormale accumulatie van vloeistof in de extravasculaire ruimte en weefsels vd long
-> Kan levensbedreigend zijn
De pulmonaire capillairen zijn bedekt met endotheelcellen en w omgeven door een interstitiële ruimte
-> Het interstitium kan zeer smal zijn: Fusie van 2 basement membranen
Of net wijder zijn en type I collageen vezels bevatten: Hier treedt vooral vloeistof uitwisseling op
-> Capillaire endotheel is zeer permeabel voor water en andere opgeloste stoffen (kleine moleculen en ionen)
maar niet voor proteïnen
Tussen de alveolaire ruimte en het alveolair epitheel zitten type 1 pneumocyten en een oppervlakkige laag
surfactant (geproduceerd dr type 2 pneumocyten)
-> Het alveolaire epitheel is minder permeabel en zelfs kleine ionen kunnen bijna niet over het epitheel via
passieve diffusie
Wel heeft het epitheel actieve pompen voor water vd alveolaire ruimte naar het interstitium te pompen
(Na/Kpomp)
Starling vergelijking
Q = K[PC - Pi] – σ[πc - πi] Met Q de nette flow uit of in het capillair
-> Als Q positief is: Outflow uit capillair
-> Als Q negatief is: Inflow in capillair
Met PC en Pi de hydrostatische drukken
Met πc en πi de colloïd oncotische drukken
Met K de filtratie coëfficiënt (Lp hydrolische conductiviteit)
Met σ de reflectie coëfficiënt: Beschrijft hoe een semipermeabele barrière
opgeloste stof X excludeert wanneer water beweegt over het membraan
-> Waarde kan gaan van 0 tot 1
σ = 0 De beweging van water voert de opgeloste stof perfect mee
De stof voert geen osmotische druk uit over het membraan
vb. Kleine opgeloste stoffen Na+ en Cl-
σ = 1 De barrière houdt de opgeloste stof tegen als water beweegt
De stof voert een osmotische druk uit over het membraan
Filtreren van de stof
Vb. Plasmaproteïnen
-> Waarde is verlaagd bij ziektes die de cellen beschadigen en dus de
permeabiliteit verhogen
-> σ = 0,7 in de pulmonaire capillairen
Netto filtratie druk (netto drijf kracht): (Pc – Pif) – σ (πc – πif)
-> Wanneer deze positief is, is er filtratie van vloeistof vh capillair lumen in de interstitiële ruimte
Wanneer σ =1 is de vloeistof dat het capillair verlaat proteïne vrij: ultrafiltratie
-> Wanneer deze negatief is, is er absorptie van vloeistof in het capillair
OPM. Ad arteriële zijde vh capillair is de netto filtratie druk in het algemeen positief
-> Filtratie
Ad veneuze zijde vh capillair is de netto filtratie druk in het algemeen negatief
-> Absorptie
ZELFSTUDIEOPDRACHT 5: LONGOEDEEM EN RESPIRATOIRE INSUFFICIËNTIE
Vraag 1:
Wat is de pathophysiologische basis voor longoedeem
PATHOFYSIOLOGIE LONGOEDEEM
Pulmonair oedeem = Abnormale accumulatie van vloeistof in de extravasculaire ruimte en weefsels vd long
-> Kan levensbedreigend zijn
De pulmonaire capillairen zijn bedekt met endotheelcellen en w omgeven door een interstitiële ruimte
-> Het interstitium kan zeer smal zijn: Fusie van 2 basement membranen
Of net wijder zijn en type I collageen vezels bevatten: Hier treedt vooral vloeistof uitwisseling op
-> Capillaire endotheel is zeer permeabel voor water en andere opgeloste stoffen (kleine moleculen en ionen)
maar niet voor proteïnen
Tussen de alveolaire ruimte en het alveolair epitheel zitten type 1 pneumocyten en een oppervlakkige laag
surfactant (geproduceerd dr type 2 pneumocyten)
-> Het alveolaire epitheel is minder permeabel en zelfs kleine ionen kunnen bijna niet over het epitheel via
passieve diffusie
Wel heeft het epitheel actieve pompen voor water vd alveolaire ruimte naar het interstitium te pompen
(Na/Kpomp)
Starling vergelijking
Q = K[PC - Pi] – σ[πc - πi] Met Q de nette flow uit of in het capillair
-> Als Q positief is: Outflow uit capillair
-> Als Q negatief is: Inflow in capillair
Met PC en Pi de hydrostatische drukken
Met πc en πi de colloïd oncotische drukken
Met K de filtratie coëfficiënt (Lp hydrolische conductiviteit)
Met σ de reflectie coëfficiënt: Beschrijft hoe een semipermeabele barrière
opgeloste stof X excludeert wanneer water beweegt over het membraan
-> Waarde kan gaan van 0 tot 1
σ = 0 De beweging van water voert de opgeloste stof perfect mee
De stof voert geen osmotische druk uit over het membraan
vb. Kleine opgeloste stoffen Na+ en Cl-
σ = 1 De barrière houdt de opgeloste stof tegen als water beweegt
De stof voert een osmotische druk uit over het membraan
Filtreren van de stof
Vb. Plasmaproteïnen
-> Waarde is verlaagd bij ziektes die de cellen beschadigen en dus de
permeabiliteit verhogen
-> σ = 0,7 in de pulmonaire capillairen
Netto filtratie druk (netto drijf kracht): (Pc – Pif) – σ (πc – πif)
-> Wanneer deze positief is, is er filtratie van vloeistof vh capillair lumen in de interstitiële ruimte
Wanneer σ =1 is de vloeistof dat het capillair verlaat proteïne vrij: ultrafiltratie
-> Wanneer deze negatief is, is er absorptie van vloeistof in het capillair
OPM. Ad arteriële zijde vh capillair is de netto filtratie druk in het algemeen positief
-> Filtratie
Ad veneuze zijde vh capillair is de netto filtratie druk in het algemeen negatief
-> Absorptie