11.12.2015 Les 9 Socialezekerheidsrecht Prof. dr. F. Louckx
Socialezekerheidsrecht
Regelingen inzake sociale bijstand
Hoofdstuk 17: Maatschappelijke dienstverlening
Historische ontwikkeling
In 1796 worden alle kerkelijke instellingen die zich bezighielden met armenzorg afgeschaft. We
zitten hier met een heel oude, religieus getinte traditie. Vanaf dan ontfermt de staat zich over de
armenzorg. Na de Franse revolutie werden alle eigendommen behorend tot de kerk
genationaliseerd en werd het gehele patrimonium onttrokken. Ook alle liefdadigheidswerken
kwamen hierdoor in gedrang.
De Franse revolutionairen hebben de burelen van weldadigheid en de commissies van de
burgerlijke godshuizen ingericht. Deze instellingen staan in voor zorg van zieken en bejaarden aan
huis (burelen) en de verzorging tijdens hospitalisatie (commissies).
Na de Belgische revolutie worden ook in het Gemeentedecreet in 1836 dezelfde instellingen
overgenomen om de continuïteit bij armenzorg te garanderen.
De burelen waren enorm overgevraagd en hadden onvoldoende middelen. De commissies
daarentegen hadden zeer veel middelen, maar kregen niet veel vraag. We zitten hier dus met een
discrepantie. Men heeft dit opgelost in 1928 door de wet tot regeling van de openbare onderstand.
Hier worden de burelen en commissies samengebracht onder de gemeenschappelijke noemer
„Commissies van de openbare onderstand”.
Deze instelling heeft tot taak:
- Het verzachten en voorkomen van ellende door ziekenverpleging te garanderen aan
behoeftigen en personen die onmiddellijke verzorging behoeven.
- Onderhoud en opvoeding verschaffen aan vondelingen, verlaten kinderen en behoeftige
weeskinderen
- Commissies beoordelen vrij hun nood tot tussenkomst: Men kon zich niet wenden tot een
commissie met het standpunt dat men behoeftig is. De commissies hadden een discretionaire
bevoegdheid voor het toekennen van de zorg.
Na de oorlog zijn er nieuwe maatschappelijke noden tot ontwikkeling gekomen. De focus wordt
mettertijd op andere noden gelegd dan de medische dienstverlening, zoals energiebevoorrading.
Door de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn:
- Heeft elk persoon een recht op maatschappelijke dienstverlening: Hier wordt expliciet vertrokken
van het uitgangspunt dat iedereen recht heeft op een maatschappelijke dienstverlening
waardoor het in art. 23 Gw. verankerde recht wordt verwezenlijkt. Deze heeft tot doel eenieder in
de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Men wou een duidelijk onderscheid maken tussen het gunstregime en het gareel waardoor de
OCMW’s gedwongen worden het recht op maatschappelijke dienstverlening te vervullen.
- Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht met opdracht
maatschappelijke dienstverlening te verzekeren. Deze OCMW’s vervangen de commissies van
openbare onderstand. Zij zijn openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid aanwezig in elke
gemeente.
Invloed van de staatshervorming:
Het maatschappelijk welzijn is gerangschikt onder de persoonsgebonden aangelegenheden. Als
gevolg zijn de gemeenschappen in beginsel bevoegd voor de organieke regeling van de OCMW’s.
Hierop bestaat de uitzondering van de regeling voorzien in artt. 1 en 2, hoofdstukken IV, V en VII
OCMW-wet (Deze artt. zijn de artikelen die stellen dat elke persoon recht heeft op
maatschappelijke dienstverlening om een menswaardig leven te leiden. Deze bepalingen zijn
Pagina 1 van 5
Socialezekerheidsrecht
Regelingen inzake sociale bijstand
Hoofdstuk 17: Maatschappelijke dienstverlening
Historische ontwikkeling
In 1796 worden alle kerkelijke instellingen die zich bezighielden met armenzorg afgeschaft. We
zitten hier met een heel oude, religieus getinte traditie. Vanaf dan ontfermt de staat zich over de
armenzorg. Na de Franse revolutie werden alle eigendommen behorend tot de kerk
genationaliseerd en werd het gehele patrimonium onttrokken. Ook alle liefdadigheidswerken
kwamen hierdoor in gedrang.
De Franse revolutionairen hebben de burelen van weldadigheid en de commissies van de
burgerlijke godshuizen ingericht. Deze instellingen staan in voor zorg van zieken en bejaarden aan
huis (burelen) en de verzorging tijdens hospitalisatie (commissies).
Na de Belgische revolutie worden ook in het Gemeentedecreet in 1836 dezelfde instellingen
overgenomen om de continuïteit bij armenzorg te garanderen.
De burelen waren enorm overgevraagd en hadden onvoldoende middelen. De commissies
daarentegen hadden zeer veel middelen, maar kregen niet veel vraag. We zitten hier dus met een
discrepantie. Men heeft dit opgelost in 1928 door de wet tot regeling van de openbare onderstand.
Hier worden de burelen en commissies samengebracht onder de gemeenschappelijke noemer
„Commissies van de openbare onderstand”.
Deze instelling heeft tot taak:
- Het verzachten en voorkomen van ellende door ziekenverpleging te garanderen aan
behoeftigen en personen die onmiddellijke verzorging behoeven.
- Onderhoud en opvoeding verschaffen aan vondelingen, verlaten kinderen en behoeftige
weeskinderen
- Commissies beoordelen vrij hun nood tot tussenkomst: Men kon zich niet wenden tot een
commissie met het standpunt dat men behoeftig is. De commissies hadden een discretionaire
bevoegdheid voor het toekennen van de zorg.
Na de oorlog zijn er nieuwe maatschappelijke noden tot ontwikkeling gekomen. De focus wordt
mettertijd op andere noden gelegd dan de medische dienstverlening, zoals energiebevoorrading.
Door de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn:
- Heeft elk persoon een recht op maatschappelijke dienstverlening: Hier wordt expliciet vertrokken
van het uitgangspunt dat iedereen recht heeft op een maatschappelijke dienstverlening
waardoor het in art. 23 Gw. verankerde recht wordt verwezenlijkt. Deze heeft tot doel eenieder in
de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.
Men wou een duidelijk onderscheid maken tussen het gunstregime en het gareel waardoor de
OCMW’s gedwongen worden het recht op maatschappelijke dienstverlening te vervullen.
- Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht met opdracht
maatschappelijke dienstverlening te verzekeren. Deze OCMW’s vervangen de commissies van
openbare onderstand. Zij zijn openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid aanwezig in elke
gemeente.
Invloed van de staatshervorming:
Het maatschappelijk welzijn is gerangschikt onder de persoonsgebonden aangelegenheden. Als
gevolg zijn de gemeenschappen in beginsel bevoegd voor de organieke regeling van de OCMW’s.
Hierop bestaat de uitzondering van de regeling voorzien in artt. 1 en 2, hoofdstukken IV, V en VII
OCMW-wet (Deze artt. zijn de artikelen die stellen dat elke persoon recht heeft op
maatschappelijke dienstverlening om een menswaardig leven te leiden. Deze bepalingen zijn
Pagina 1 van 5