Thomas ten Berge 18-09-15
S2882388
WG 1.1
ARW week 2 deel 2 rechtsvinding vragen
A1: Conc: Valt het brengen van de Hitlergroet onder het begrip afbeelding.
Abst: Wat valt onder het begrip afbeelding zoals benoemd in art 137c Sr.?
A2: Nee, onder afbeelding zoals benoemd in art 137c Sr. mag niet gebaar worden verstaan,
gezien aan dezelfde woorden in art 266 Sr. dezelfde betekenis wordt toegekend, wel kan
een gebaar vallen onder feitelijkheden.
A3: Systematische interpretatie, hij stelt dat de regel in art. 137c Sr. te algemeen is en
betrekt daar dan de bewoording van art. 266 Sr. bij als argument.
A4: Restrictief, de rechter interpreteert de wet zeer nauw, alleen wat er echt staat.
B1: Conc: Kan aan art. 7, aanhef en onder a en c, van het Vrouwenverdrag naar zijn inhoud
een ieder verbinden in de zin van art. 93 GW.?
Abst: In welke gevallen heeft een bepaling uit een verdrag een ieder verbindende werking?
B2: Dat het in art. 93 GW gestelde ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ ook
werking heeft op het in art. 7 aanhef onder a en c. Aangezien deze rechten reeds zijn
verankerd in bepalingen in andere verdragen, ten aanzien waarvan rechtstreekse werking
door de rechter is aanvaard.
B3: Wetshistorische interpretatie, hij kijkt naar de totstandkoming van de Rijkswet tot
goedkeuring van het Vrouwenverdrag.
B4: extensief, art. 7 aanheft en onder a en c, wordt nu breder geïnterpreteerd.
C1: conc: Is het vastgrijpen van een persoon in zijn deuropening omwille van arrestatie door
de daarmee belaste agenten in strijd met art. 12 GW.?
Abst: Wat valt er onder binnentreden zoals met art 12 GW bedoeld.
C2: De agenten waren in strijd met art 12 GW, het lichaamsdeel waarmee je binnentreedt
maakt niet uit.
C3: Wetshistorische interpretatie, ‘uit de wetsgeschiedenis blijkt’.
Teleologische interpretatie: art 12 GW is voor de bewaking van de huisvrede tegen buitenaf.
C4: extensief, binnen treden is niet alleen maar binnenlopen, lichaamsdeel maakt niet uit.
D1: Conc: Vallen parkieten en papegaaiachtige onder pluimvee en kan de in- en doorvoer
door De Pluimveewet worden verboden?
Abst: Welke vogels vallen onder de pluimveewet?
D2: Dat parkieten en papegaaiachtige niet onder pluimvee vallen en daarom niet onder De
Pluimveewet
D3: Grammaticale interpretatie, ‘Het groot Nederlands Woordenboek’
D4: neutraal, er wordt gekeken naar dat wat in de wet staat.
E1: Conc: Kan onder het beoefenen van een vrij beroep in een praktijkruimte ook prostitutie
worden verstaan?
Abst: In welke gevallen is er sprake van een vrij beroep?
E2: Prostitutie valt niet onder de term vrij beroep zoals bedoeld in het bestemmingsplan.
E3: Grammaticale interpretatie, ‘in gangbaar taalgebruik worden’, systematische
interpretatie, er wordt verwezen naar artikel 13.
E4: Restrictief, er wordt een nauwe betekenis aan de term vrij beroep gegeven, zonder dat
deze in gedefinieerd in het besluit.
S2882388
WG 1.1
ARW week 2 deel 2 rechtsvinding vragen
A1: Conc: Valt het brengen van de Hitlergroet onder het begrip afbeelding.
Abst: Wat valt onder het begrip afbeelding zoals benoemd in art 137c Sr.?
A2: Nee, onder afbeelding zoals benoemd in art 137c Sr. mag niet gebaar worden verstaan,
gezien aan dezelfde woorden in art 266 Sr. dezelfde betekenis wordt toegekend, wel kan
een gebaar vallen onder feitelijkheden.
A3: Systematische interpretatie, hij stelt dat de regel in art. 137c Sr. te algemeen is en
betrekt daar dan de bewoording van art. 266 Sr. bij als argument.
A4: Restrictief, de rechter interpreteert de wet zeer nauw, alleen wat er echt staat.
B1: Conc: Kan aan art. 7, aanhef en onder a en c, van het Vrouwenverdrag naar zijn inhoud
een ieder verbinden in de zin van art. 93 GW.?
Abst: In welke gevallen heeft een bepaling uit een verdrag een ieder verbindende werking?
B2: Dat het in art. 93 GW gestelde ‘die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden’ ook
werking heeft op het in art. 7 aanhef onder a en c. Aangezien deze rechten reeds zijn
verankerd in bepalingen in andere verdragen, ten aanzien waarvan rechtstreekse werking
door de rechter is aanvaard.
B3: Wetshistorische interpretatie, hij kijkt naar de totstandkoming van de Rijkswet tot
goedkeuring van het Vrouwenverdrag.
B4: extensief, art. 7 aanheft en onder a en c, wordt nu breder geïnterpreteerd.
C1: conc: Is het vastgrijpen van een persoon in zijn deuropening omwille van arrestatie door
de daarmee belaste agenten in strijd met art. 12 GW.?
Abst: Wat valt er onder binnentreden zoals met art 12 GW bedoeld.
C2: De agenten waren in strijd met art 12 GW, het lichaamsdeel waarmee je binnentreedt
maakt niet uit.
C3: Wetshistorische interpretatie, ‘uit de wetsgeschiedenis blijkt’.
Teleologische interpretatie: art 12 GW is voor de bewaking van de huisvrede tegen buitenaf.
C4: extensief, binnen treden is niet alleen maar binnenlopen, lichaamsdeel maakt niet uit.
D1: Conc: Vallen parkieten en papegaaiachtige onder pluimvee en kan de in- en doorvoer
door De Pluimveewet worden verboden?
Abst: Welke vogels vallen onder de pluimveewet?
D2: Dat parkieten en papegaaiachtige niet onder pluimvee vallen en daarom niet onder De
Pluimveewet
D3: Grammaticale interpretatie, ‘Het groot Nederlands Woordenboek’
D4: neutraal, er wordt gekeken naar dat wat in de wet staat.
E1: Conc: Kan onder het beoefenen van een vrij beroep in een praktijkruimte ook prostitutie
worden verstaan?
Abst: In welke gevallen is er sprake van een vrij beroep?
E2: Prostitutie valt niet onder de term vrij beroep zoals bedoeld in het bestemmingsplan.
E3: Grammaticale interpretatie, ‘in gangbaar taalgebruik worden’, systematische
interpretatie, er wordt verwezen naar artikel 13.
E4: Restrictief, er wordt een nauwe betekenis aan de term vrij beroep gegeven, zonder dat
deze in gedefinieerd in het besluit.