Hoofdstuk 21 : Geld en het bankwezen
Waarom gebruiken we geld?
Als waardemeter
een voor de hand liggende maatstaf om de waarde van verschillende
goederen te vergelijken
Als algemeen aanvaard ruilmiddel
Vroeger was er geen geld dus gebeurde er directe ruil
Na de introductie van geld vondt er indirecte ruil plaats
Evenveel markten als goederen
Fiduciair geld = geld dat zijn waarde niet ontleent aan de materie
waaruit het gemaakt is, maar aan het vertrouwen dat
er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden
Fiatgeld = geld waarvan aan het vertrouwen vaak een wettelijke
basis ten grondslag ligt, hierdoor zal het vertrouwen
mede gebaseerd zijn op het vertrouwen dat de burgers
in de overheid ofwel de muntheer hebben
Bitcoin => vorm van fiduciair geld
Als beleggingsmiddel
Beleggen = koopkracht overdragen naar later tijdstip
Beleggen in o.a. aandelen, obligaties, juwelen, ...
Voordelen geld t.o.v. beleggingen
~ Perfect liquide
~ Geen onzekerheid (wannner je belegt heb je wel onzekerheid)
Nadelen geld t.o.v. beleggingen
~ Brengt niets op
~ Geen gebruikswaarde
Sparen is uitstellen van consumptie, als je dat spaargeld belegt in obligaties
ontstaat er geen lek want het is een lening aan een bedrijf, die hiermee
kapitaalgoederen koopt
Wat gebruiken we als geld?
1
, - Goederengeld
= goederen die dienst doen als algemeen aanvaard ruilmidel
Vb. tabak, leder, slaven,...
Voordelen van metalen die uitgroeiden tot geldsoorten (bv. goud, zilver)
~ Duurzaam
~ Niet deelbaar zonder waardeverlies
Nadelen van metalen die uitgroeiden tot geldsoorten (bv. goud, zilver)
~ Moet gewogen worden
~ Zuiverheidsgehalte is niet zomaar bekend
Geldhoeveelheid in enge zin M1
Chartaal
= euromunten en bankbiljetten
Giraal
= geheel van onmiddelijk opvraagbare tegoeden op zichtrekeningen
Geldhoeveelheid in ruime zin M3
Ruime geldhoeveelheid
= quasi geld (M2) + geldhoeveelheid in enge zin (M1)
Quasi geld = geheel van spaarrekeningen en termijndeposito’s op
ten hoogste twee jaar en nog een aantal kortetermijn-
activa
Spaarrekening is minder liquide dan zichtrekening
! Geldhoeveelheid = totale hoeveelheid geld die op enig moment binnen
een economie of monetaire zone in omloop is
Geldschepping = processen die geldhoeveelheid vergroten
wanneer banken kredieten verstrekken
Geldvernietiging = processen die geldhoeveelheid verkleinen
2
Waarom gebruiken we geld?
Als waardemeter
een voor de hand liggende maatstaf om de waarde van verschillende
goederen te vergelijken
Als algemeen aanvaard ruilmiddel
Vroeger was er geen geld dus gebeurde er directe ruil
Na de introductie van geld vondt er indirecte ruil plaats
Evenveel markten als goederen
Fiduciair geld = geld dat zijn waarde niet ontleent aan de materie
waaruit het gemaakt is, maar aan het vertrouwen dat
er goederen en diensten mee gekocht kunnen worden
Fiatgeld = geld waarvan aan het vertrouwen vaak een wettelijke
basis ten grondslag ligt, hierdoor zal het vertrouwen
mede gebaseerd zijn op het vertrouwen dat de burgers
in de overheid ofwel de muntheer hebben
Bitcoin => vorm van fiduciair geld
Als beleggingsmiddel
Beleggen = koopkracht overdragen naar later tijdstip
Beleggen in o.a. aandelen, obligaties, juwelen, ...
Voordelen geld t.o.v. beleggingen
~ Perfect liquide
~ Geen onzekerheid (wannner je belegt heb je wel onzekerheid)
Nadelen geld t.o.v. beleggingen
~ Brengt niets op
~ Geen gebruikswaarde
Sparen is uitstellen van consumptie, als je dat spaargeld belegt in obligaties
ontstaat er geen lek want het is een lening aan een bedrijf, die hiermee
kapitaalgoederen koopt
Wat gebruiken we als geld?
1
, - Goederengeld
= goederen die dienst doen als algemeen aanvaard ruilmidel
Vb. tabak, leder, slaven,...
Voordelen van metalen die uitgroeiden tot geldsoorten (bv. goud, zilver)
~ Duurzaam
~ Niet deelbaar zonder waardeverlies
Nadelen van metalen die uitgroeiden tot geldsoorten (bv. goud, zilver)
~ Moet gewogen worden
~ Zuiverheidsgehalte is niet zomaar bekend
Geldhoeveelheid in enge zin M1
Chartaal
= euromunten en bankbiljetten
Giraal
= geheel van onmiddelijk opvraagbare tegoeden op zichtrekeningen
Geldhoeveelheid in ruime zin M3
Ruime geldhoeveelheid
= quasi geld (M2) + geldhoeveelheid in enge zin (M1)
Quasi geld = geheel van spaarrekeningen en termijndeposito’s op
ten hoogste twee jaar en nog een aantal kortetermijn-
activa
Spaarrekening is minder liquide dan zichtrekening
! Geldhoeveelheid = totale hoeveelheid geld die op enig moment binnen
een economie of monetaire zone in omloop is
Geldschepping = processen die geldhoeveelheid vergroten
wanneer banken kredieten verstrekken
Geldvernietiging = processen die geldhoeveelheid verkleinen
2