Hoofdstuk 2 (totstandkoming) en 6 (algemene voorwaarden)
De rol van de wilsvertrouwensleer bij uitleg
Art. 3:33 en 3:35 zijn bepalend voor de vraag welke rechtshandeling tot stand komt (dus de inhoud
van de rechtshandeling). Het gaat niet om een wilsverklaring, maar om een ‘verklaring van een
bepaalde strekking’, zoals art. 3:35 zegt.
Welke die strekking is (hoe de rechtshandeling moet worden uitgelegd) hangt af van:
- wat degene die de rechtshandeling verrichte heeft verklaard en wat hij met die verklaring beoogde
- hetgeen zijn wederpartij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit zijn verklaring heeft
kunnen afleiden.
Het bekende criterium voor de uitleg van overeenkomsten is het Haviltex-arrest: het komt aan op de
zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten
toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit gaat dus ook weer
over de wilsvertrouwensleer.
Uitleg algemene voorwaarden
Indien algemene voorwaarden door één partij worden ingebracht en opgesteld, ligt het voordeel in
geval van redelijke twijfel bij de wederpartij (contra proferentem). Bij twijfel over de betekenis van
een beding, prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie (art. 6:238 lid 2, tweede zin).
De contractanten mogen en moeten er wederzijds van uitgaan dat hetgeen door hen is afgesproken
ook werkelijk de inhoud van de tot stand gebrachte overeenkomst vormt.
Hoofdstuk 7: rechtsgevolgen van de overeenkomst ten aanzien van partijen
De overeengekomen rechtsgevolgen
Inleidende opmerkingen
Art. 6:248 lid stelt de gebondenheid van partijen aan hetgeen zij overeenkwamen voorop: ‘Een
overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overgekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke,
naar aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid
voortvloeien.’ Wat wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid partijen gebieden, ligt in het
verlengde van wat partijen zelf zijn overeengekomen.
Reconstructie van partijwil?
Wie een overeenkomt sluit, doet meer dan alleen zijn keuzevrijheid uitoefenen: hij richt zich tot een
ander, de wederpartij, en wekt aldus bepaalde verwachtingen (gerechtvaardigd vertrouwen), die
bescherming verdienen.
Uitleg aan de hand van de wilsvertrouwensleer
Ook voor de uitleg van overeenkomsten is de wilsvertrouwensleer (art. 3:33 jo. art. 3:35) beslissend.
In navolging hierop besliste de HR in het bekende Haviltex-arrest dat bij de uitleg van een
overeenkomst het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer
redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien
aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’.
Bewoordingen overeenkomst niet beslissend
Bewoordingen (wat partijen zeggen) zijn dus nooit beslissend door de wilsvertrouwensleer. Het gaat
erom wat partijen in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen