Plant en dier (uit http://www.dynamisch.nu , antroposofisch, wel bruikbaar)
Op deze pagina worden de embryonale ontwikkeling van een tweezaadlobbige plant en een
eenvoudig dier (zoals een zee-egel) met elkaar vergeleken. Het principiële verschil tussen de bouw
en het wezen van een plant en een dier zal daaraan worden verduidelijkt.
De ontwikkeling van het embryo van de plant
Wanneer de plant bloeit wordt het stuifmeel door de wind of door insecten of andere dieren op de
stempel van de stamper gebracht. Het stuifmeel maakt een buisje door de stijl naar de eicel in het
vruchtbeginsel. De bevruchting vindt plaats en daarna (zie afb. 1 bij 2) vindt de eerste deling
plaats. Er ontstaat een kleine apicale of topcel (A) en een grote basale cel (B). De apicale cel deelt
in vieren en maakt een bolletje cellen. De basale cel snoert cellen af aan de bovenkant (zie 3). Het
klompje apicale cellen, de kiembol genaamd, wordt groter, het onderste deel met de basale cel
stopt vrij snel met delen en groeien (zie 4 en 5). Dit deel wordt de suspensor (C) genoemd.
Het apicale weefsel groeit aan de zijkanten uit (zie 6), daaruit ontstaan de zaadlobben (D).
Tegelijkertijd differentieert het weefsel tussen de zaadlobben en de suspensor. Het wortelgroeipunt
(of wortelmeristeem; E), het stengelgroeipunt (of apicale meristeem; F) en verbindend vaatweefsel
(G) ontstaan, zie 7 en 8. De zaadlobben klappen dubbel en groeien uit. Het zaad (denk aan een
pinda) is ontstaan.
Het zaad groeit verder en gaat in rust en groeit pas verder wanneer het in de aarde komt en de
omstandigheden gunstig zijn voor de kieming. Er kan worden gesproken van een dubbele
bevruchting. Het stuifmeel bevrucht de eicel en het zaad moet in de aarde komen. Het zaad
(mannelijk) valt in Moeder Aarde.
De volgende processen zijn zichtbaar:
vanaf de eerste deling groeit het embryo;
er is meteen celdifferentiatie, de apicale en de basale cel zijn verschillend;
het weefsel is massief.
Op deze pagina worden de embryonale ontwikkeling van een tweezaadlobbige plant en een
eenvoudig dier (zoals een zee-egel) met elkaar vergeleken. Het principiële verschil tussen de bouw
en het wezen van een plant en een dier zal daaraan worden verduidelijkt.
De ontwikkeling van het embryo van de plant
Wanneer de plant bloeit wordt het stuifmeel door de wind of door insecten of andere dieren op de
stempel van de stamper gebracht. Het stuifmeel maakt een buisje door de stijl naar de eicel in het
vruchtbeginsel. De bevruchting vindt plaats en daarna (zie afb. 1 bij 2) vindt de eerste deling
plaats. Er ontstaat een kleine apicale of topcel (A) en een grote basale cel (B). De apicale cel deelt
in vieren en maakt een bolletje cellen. De basale cel snoert cellen af aan de bovenkant (zie 3). Het
klompje apicale cellen, de kiembol genaamd, wordt groter, het onderste deel met de basale cel
stopt vrij snel met delen en groeien (zie 4 en 5). Dit deel wordt de suspensor (C) genoemd.
Het apicale weefsel groeit aan de zijkanten uit (zie 6), daaruit ontstaan de zaadlobben (D).
Tegelijkertijd differentieert het weefsel tussen de zaadlobben en de suspensor. Het wortelgroeipunt
(of wortelmeristeem; E), het stengelgroeipunt (of apicale meristeem; F) en verbindend vaatweefsel
(G) ontstaan, zie 7 en 8. De zaadlobben klappen dubbel en groeien uit. Het zaad (denk aan een
pinda) is ontstaan.
Het zaad groeit verder en gaat in rust en groeit pas verder wanneer het in de aarde komt en de
omstandigheden gunstig zijn voor de kieming. Er kan worden gesproken van een dubbele
bevruchting. Het stuifmeel bevrucht de eicel en het zaad moet in de aarde komen. Het zaad
(mannelijk) valt in Moeder Aarde.
De volgende processen zijn zichtbaar:
vanaf de eerste deling groeit het embryo;
er is meteen celdifferentiatie, de apicale en de basale cel zijn verschillend;
het weefsel is massief.