MIDDELGERELATEERDE & VERSLAVINGSSTOORNISSEN
VISIES EN DEFINITIES
Definities:
o Sociologische definitie: zeer sterk cultureel bepaald
o Medisch-somatische definitie: late presentatie van de gevolgen
o De psychiatrische definitie
Psychische afhankelijkheid
Controleverlies
Lichamelijke afhankelijkheid
Sociale/lichamelijke gevolgen
CRITERIA VOOR DE STOORNIS IN HET GEBRUIK VAN EEN MIDDEL
Een problematisch gebruik van het middel dat leidt tot klinisch significante beperkingen
1. Het middel wordt vaak gebruikt in grotere hoeveelheden of langduriger dan de
bedoeling was.
2. Er is een persisterende wens of er zijn vergeefse pogingen om het gebruik van het
middel in de hand te houden
3. Veel tijd wordt besteed aan activiteiten die nodig zijn om aan het middel te komen, het
middel te gebruiken, of te herstellen van de effecten ervan
4. Hunkering, of een sterke drang tot het gebruik van het middel.
5. Recidiverend gebruik van het middel, met als gevolg dat de belangrijkste
rolverplichtingen niet worden nagekomen op het werk, op school of thuis.
6. Aanhoudend gebruik van het middel ondanks persisterende (blijvende) of recidiverende
(zich herhalende) sociale en interpersoonlijke problemen, veroorzaakt of verergerd door
het middel.
7. Belangrijke sociale, beroepsmatige of vrijetijdsactiviteiten zijn opgegeven of verminderd
vanwege het gebruik van het middel
8. Recidiverend gebruik van het middel in situaties waar dit fysiek gevaar oplevert.
9. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een
persisterend (blijvend) of recidiverend (telkens terugkomend) lichamelijk of psychisch
probleem is, dat waarschijnlijke is veroorzaakt of verergerd door het gebruik van het
middel.
, 10. Tolerantie zoals gedefinieerd door een van de volgende kenmerken
o Behoefte aan een duidelijk toegenomen hoeveelheid van het middel om een
intoxicatie of het gewenste effect te bereiken.
o Een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid
van het middel
11. Onttrekkingssymptomen zoals blijkt uit minstens een van de volgende kenmerken:
o Het kenmerkende onttrekkingssyndroom van het middel
o Het middel (of een verwante stof) wordt gebruikt om het onttrekkingssyndroom te
verlichten of te voorkomen.
MIDDELGERELATEERDE EN VERSLAVINGSSTOORNISSEN
Alcohol gerelateerde stoornissen
Cafeïne gerelateerde stoornissen
Cannabis gerelateerde stoornissen
Hallucinogeen gerelateerde stoornissen
Inhalantium gerelateerde stoornissen
Opioïde gerelateerde stoornissen
Hypnoticum- of anxiolyticum gerelateerde stoornis (slaap en kalmeermiddelen)
Stimulantium gerelateerde stoornissen
Tabak-gerelateerde stoornissen
Stoornissen gerelateerd aan een ander (of onbekend) middel
Niet-middel gerelateerde stoornissen (vb. gokstoornis, gamen)
INTOXICATIE DOOR EEN MIDDEL
A. Het ontstaan van een reversibel middelspecifiek syndroom als gevolg van recent
gebruik van (of blootstelling aan) een middel
B. Gedrags- of psychische veranderingen die het gevolg zijn van het effect van het middel
op het centraal zenuwstelsel (vb ruziemaken, stemmingslabiliteit, cognitieve
beperkingen, oordeelsstoornis, slecht sociaal of beroepsmatig functioneren) die in
significante mate onaangepast zijn en die tijdens of kort na het gebruik van het middel
zijn ontstaan.
C. De symptomen zijn niet het gevolg van een somatische aandoening en zijn niet
eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis
VISIES EN DEFINITIES
Definities:
o Sociologische definitie: zeer sterk cultureel bepaald
o Medisch-somatische definitie: late presentatie van de gevolgen
o De psychiatrische definitie
Psychische afhankelijkheid
Controleverlies
Lichamelijke afhankelijkheid
Sociale/lichamelijke gevolgen
CRITERIA VOOR DE STOORNIS IN HET GEBRUIK VAN EEN MIDDEL
Een problematisch gebruik van het middel dat leidt tot klinisch significante beperkingen
1. Het middel wordt vaak gebruikt in grotere hoeveelheden of langduriger dan de
bedoeling was.
2. Er is een persisterende wens of er zijn vergeefse pogingen om het gebruik van het
middel in de hand te houden
3. Veel tijd wordt besteed aan activiteiten die nodig zijn om aan het middel te komen, het
middel te gebruiken, of te herstellen van de effecten ervan
4. Hunkering, of een sterke drang tot het gebruik van het middel.
5. Recidiverend gebruik van het middel, met als gevolg dat de belangrijkste
rolverplichtingen niet worden nagekomen op het werk, op school of thuis.
6. Aanhoudend gebruik van het middel ondanks persisterende (blijvende) of recidiverende
(zich herhalende) sociale en interpersoonlijke problemen, veroorzaakt of verergerd door
het middel.
7. Belangrijke sociale, beroepsmatige of vrijetijdsactiviteiten zijn opgegeven of verminderd
vanwege het gebruik van het middel
8. Recidiverend gebruik van het middel in situaties waar dit fysiek gevaar oplevert.
9. Het gebruik van het middel wordt gecontinueerd ondanks de wetenschap dat er een
persisterend (blijvend) of recidiverend (telkens terugkomend) lichamelijk of psychisch
probleem is, dat waarschijnlijke is veroorzaakt of verergerd door het gebruik van het
middel.
, 10. Tolerantie zoals gedefinieerd door een van de volgende kenmerken
o Behoefte aan een duidelijk toegenomen hoeveelheid van het middel om een
intoxicatie of het gewenste effect te bereiken.
o Een duidelijk verminderd effect bij voortgezet gebruik van dezelfde hoeveelheid
van het middel
11. Onttrekkingssymptomen zoals blijkt uit minstens een van de volgende kenmerken:
o Het kenmerkende onttrekkingssyndroom van het middel
o Het middel (of een verwante stof) wordt gebruikt om het onttrekkingssyndroom te
verlichten of te voorkomen.
MIDDELGERELATEERDE EN VERSLAVINGSSTOORNISSEN
Alcohol gerelateerde stoornissen
Cafeïne gerelateerde stoornissen
Cannabis gerelateerde stoornissen
Hallucinogeen gerelateerde stoornissen
Inhalantium gerelateerde stoornissen
Opioïde gerelateerde stoornissen
Hypnoticum- of anxiolyticum gerelateerde stoornis (slaap en kalmeermiddelen)
Stimulantium gerelateerde stoornissen
Tabak-gerelateerde stoornissen
Stoornissen gerelateerd aan een ander (of onbekend) middel
Niet-middel gerelateerde stoornissen (vb. gokstoornis, gamen)
INTOXICATIE DOOR EEN MIDDEL
A. Het ontstaan van een reversibel middelspecifiek syndroom als gevolg van recent
gebruik van (of blootstelling aan) een middel
B. Gedrags- of psychische veranderingen die het gevolg zijn van het effect van het middel
op het centraal zenuwstelsel (vb ruziemaken, stemmingslabiliteit, cognitieve
beperkingen, oordeelsstoornis, slecht sociaal of beroepsmatig functioneren) die in
significante mate onaangepast zijn en die tijdens of kort na het gebruik van het middel
zijn ontstaan.
C. De symptomen zijn niet het gevolg van een somatische aandoening en zijn niet
eerder toe te schrijven aan een andere psychische stoornis