H4 de industriële revolutie.
Revolutie: protest, vaak met grote en snelle veranderingen en geweld.
Industrie: het maken van producten met behulp van machines in fabrieken.
Nijverheid: het maken van producten met eenvoudige gereedschappen.
Paragraaf 2: van handwerk naar machine.
In het einde van de 18e eeuw ontstonden er fabrieken, voordat de fabrieken er waren werd er
vooral veel aan huisnijverheid gedaan.
Huisnijverheid: boerderijen en kleine werkplaatsen die wat geld probeerden te verdienen door thuis
dingen te maken.
Oorzaken van de industrialisatie:
- Er kwam meer landbouw, dus ook meer eten, dus meer kinderen toen waren er meer kleren
nodig waardoor ze meer kleren moesten gaan maken in de fabrieken.
- Rijke landen/kooplieden leenden geld om fabrieken te gaan bouwen.
- Er waren heel veel arbeiders die werk zochten.
- De uitvinding van de stoommachine kwam.
De gevolgen van de industrialisatie:
- De stedelijke samenleving (mensen werkten in de landbouw) veranderde naar een
industriële samenleving (mensen gingen werken in de fabrieken).
- Huisnijverheid wordt vervangen door massaproductie: machines konden meer tegelijk
produceren.
- Landbouwgebieden werden industrie gebieden.
- De bevolking groeide en er kwamen dichtbevolkte steden.
- Er kwamen betere verbindingen tussen water en land.
Paragraaf 3: de industriële samenleving.
Hoe zag het werken in de fabrieken eruit?
De leefomstandigheden waren slecht. De lonen waren laag en de werkdagen waren lang. Een
werkweek duurde 6 dagen en je had geen vakantie.
- Je hoefde ook geen vakman te zijn, dus vrouwen en kinderen konden het werk ook doen.
- Als je ging protesteren tegen kinderarbeid of hogere lonen, werd je ontslagen.
- Er gebeurde veel ongelukken in de mijnen.
- De lucht in de fabrieken was heel smerig en het lawaai van de machines was oorverdovend.
- Het mijngas wat in de steenkoolmijnen zat kon exploderen, dan ging je dus dood.
Revolutie: protest, vaak met grote en snelle veranderingen en geweld.
Industrie: het maken van producten met behulp van machines in fabrieken.
Nijverheid: het maken van producten met eenvoudige gereedschappen.
Paragraaf 2: van handwerk naar machine.
In het einde van de 18e eeuw ontstonden er fabrieken, voordat de fabrieken er waren werd er
vooral veel aan huisnijverheid gedaan.
Huisnijverheid: boerderijen en kleine werkplaatsen die wat geld probeerden te verdienen door thuis
dingen te maken.
Oorzaken van de industrialisatie:
- Er kwam meer landbouw, dus ook meer eten, dus meer kinderen toen waren er meer kleren
nodig waardoor ze meer kleren moesten gaan maken in de fabrieken.
- Rijke landen/kooplieden leenden geld om fabrieken te gaan bouwen.
- Er waren heel veel arbeiders die werk zochten.
- De uitvinding van de stoommachine kwam.
De gevolgen van de industrialisatie:
- De stedelijke samenleving (mensen werkten in de landbouw) veranderde naar een
industriële samenleving (mensen gingen werken in de fabrieken).
- Huisnijverheid wordt vervangen door massaproductie: machines konden meer tegelijk
produceren.
- Landbouwgebieden werden industrie gebieden.
- De bevolking groeide en er kwamen dichtbevolkte steden.
- Er kwamen betere verbindingen tussen water en land.
Paragraaf 3: de industriële samenleving.
Hoe zag het werken in de fabrieken eruit?
De leefomstandigheden waren slecht. De lonen waren laag en de werkdagen waren lang. Een
werkweek duurde 6 dagen en je had geen vakantie.
- Je hoefde ook geen vakman te zijn, dus vrouwen en kinderen konden het werk ook doen.
- Als je ging protesteren tegen kinderarbeid of hogere lonen, werd je ontslagen.
- Er gebeurde veel ongelukken in de mijnen.
- De lucht in de fabrieken was heel smerig en het lawaai van de machines was oorverdovend.
- Het mijngas wat in de steenkoolmijnen zat kon exploderen, dan ging je dus dood.