LD:
- Wat is de verworven immuniteit? (lymfoïde organen)
- Hoe werkt de verworven immuniteit? (tijdpad!)
- Wat is de connectie tussen de adaptieve en aangeboren afweer? (proces van antigeen presentatie)
- Functie van verschillende t-helpercellen, b-cellen, cytotoxische cellen en geheugen cellen?
CELLEN VAN HET ADPATIEVE IMMUUNSYSTEEM
B-lymfocyten
T-lymfocyten
LYMFOCYTEN
Lymfocyten stammen af van de hematopoetische stamcel uit het rode beenmerg. Lymfocyten worden opgeleid
om een specifiek antigen te herkennen, immunocompetence. Ook met een lymfocyt niet reageren op eigen
antigenen zodat het niet de cellen van het lichaam afbreekt, zelf-tolerantie. T-cellen ondergaan een 2-3 daags
maturatie proces in de thymus onder controle van thymus hormonen. B-cellen matureren in het beenmerg.
Het beenmerg en de thymus worden primaire lymfoïdenorganen genoemd.
Wanneer B en T cellen immunocompetent zijn hebben ze een uniek type receptor op het oppervlak, waardoor
ze aan een specifiek antigen kunnen binden. De cellen reageren maar op één antigen omdat op het oppervlak
maar één type receptor aanwezig is. De receptor van de B-cel is een membraan gebonden antilichaam.
Tijdens de maturatie in de thymus leren T-cellen om aan MHC moleculen te binden, omdat deze cellen de
antigenen presenteren. Tevens mogen ze niet zelf-reactief zijn. Om alleen goede T-cellen te krijgen bestaat er
een positieve en negatieve selectie. Positieve selectie gebeurd in de cortex van de thymus, waar vooral
gekeken wordt naar de MHC binding. Wanneer de cellen MHC herkennen wordt nog gekeken of ze niet zelf-
reactief zijn. Wanneer de cellen zelf-reactief zijn volgt er apoptose. Dit laatste is negatieve selectie en gebeurt
aan de binnenkant van de cortex van de thymus.
Er is minder bekend over de selectie van B-cellen. Zelf-reactieve B-cellen worden ofwel geëlimineerd via
apoptose of krijgen een kans om te veranderen door middel van receptor-editing, waarbij het antigeen
bindende deel opnieuw gerangschikt wordt.
T en B-cellen die nog nooit een antigen gezien hebben worden naïeve cellen genoemd. Naïeve T en B-cellen
worden naar de lymfeknopen, milt en andere secundaire lymfoïde organen gebracht. Wanneer de lymfocyten
een antigen herkennen differentiëren ze tot functionele T of B-cellen.
ANTIGENEN
Er bestaan zowel complete als incomplete antigenen. Antigenen hebben twee functionele eigenschappen:
1. Immunogenicity
Hierdoor kan de proliferatie van specifieke lymfocyten en antilichamen gestimuleerd worden
2. Reactivity
Hierdoor kan er gereageerd worden met geactiveerde lymfocyten en antilichamen
Bijna alle “vreemde” moleculen kunnen dienen als antigenen, zoals eiwitten, polysachariden, lipiden en
nucleïnezuren. Hierbij zijn eiwitten de sterkste antigenen.
ANTIGEEN DETERMINANTEN
De mogelijkheid om te dienen als antigeen is zowel afhankelijk van het formaat als de complexiteit. Alleen
delen van het antigeen zijn geschikt immunogeen, de zogenaamde antigenic determinants. Vrije antilichamen
of lymfocyten binden zoals een enzym aan een substraat bind.
De meeste antigenen die van nature voorkomen hebben een aantal antigeen determinanten op hun oppervlak,
sommige zijn potenter in het uitlokken van aan immuunreactie. Doordat verschillende determinanten door
verschillende lymfocyten worden herkent kan een enkel antigeen daardoor verschillende groepen lymfocyten
activeren en verschillende groepen antilichamen laten ontstaan. Grote eiwitten hebben vele antigeen
determinanten, waardoor deze een hoge immunogeniteit en reactiviteit hebben. Echter, grote moleculen met
simpele structuur (heel vaak herhalende zelfde keten) hebben een lage of geen immunogeniteit.
MHC EIWITTEN
De oppervlak van onze cellen bevat een groot aantal eiwit moleculen. Er vanuit gaande dat er niks mis is
gegaan met ons immuunsysteem zijn zelf-antigeen, niet gevoelig voor lichaamseigen stoffen maar reageren ze
wel sterk op lichaamsvreemde stoffen. De eiwitten die cellen markeren als lichaamseigen zijn MHC eiwitten,
major histocompatibility complex.
- Wat is de verworven immuniteit? (lymfoïde organen)
- Hoe werkt de verworven immuniteit? (tijdpad!)
- Wat is de connectie tussen de adaptieve en aangeboren afweer? (proces van antigeen presentatie)
- Functie van verschillende t-helpercellen, b-cellen, cytotoxische cellen en geheugen cellen?
CELLEN VAN HET ADPATIEVE IMMUUNSYSTEEM
B-lymfocyten
T-lymfocyten
LYMFOCYTEN
Lymfocyten stammen af van de hematopoetische stamcel uit het rode beenmerg. Lymfocyten worden opgeleid
om een specifiek antigen te herkennen, immunocompetence. Ook met een lymfocyt niet reageren op eigen
antigenen zodat het niet de cellen van het lichaam afbreekt, zelf-tolerantie. T-cellen ondergaan een 2-3 daags
maturatie proces in de thymus onder controle van thymus hormonen. B-cellen matureren in het beenmerg.
Het beenmerg en de thymus worden primaire lymfoïdenorganen genoemd.
Wanneer B en T cellen immunocompetent zijn hebben ze een uniek type receptor op het oppervlak, waardoor
ze aan een specifiek antigen kunnen binden. De cellen reageren maar op één antigen omdat op het oppervlak
maar één type receptor aanwezig is. De receptor van de B-cel is een membraan gebonden antilichaam.
Tijdens de maturatie in de thymus leren T-cellen om aan MHC moleculen te binden, omdat deze cellen de
antigenen presenteren. Tevens mogen ze niet zelf-reactief zijn. Om alleen goede T-cellen te krijgen bestaat er
een positieve en negatieve selectie. Positieve selectie gebeurd in de cortex van de thymus, waar vooral
gekeken wordt naar de MHC binding. Wanneer de cellen MHC herkennen wordt nog gekeken of ze niet zelf-
reactief zijn. Wanneer de cellen zelf-reactief zijn volgt er apoptose. Dit laatste is negatieve selectie en gebeurt
aan de binnenkant van de cortex van de thymus.
Er is minder bekend over de selectie van B-cellen. Zelf-reactieve B-cellen worden ofwel geëlimineerd via
apoptose of krijgen een kans om te veranderen door middel van receptor-editing, waarbij het antigeen
bindende deel opnieuw gerangschikt wordt.
T en B-cellen die nog nooit een antigen gezien hebben worden naïeve cellen genoemd. Naïeve T en B-cellen
worden naar de lymfeknopen, milt en andere secundaire lymfoïde organen gebracht. Wanneer de lymfocyten
een antigen herkennen differentiëren ze tot functionele T of B-cellen.
ANTIGENEN
Er bestaan zowel complete als incomplete antigenen. Antigenen hebben twee functionele eigenschappen:
1. Immunogenicity
Hierdoor kan de proliferatie van specifieke lymfocyten en antilichamen gestimuleerd worden
2. Reactivity
Hierdoor kan er gereageerd worden met geactiveerde lymfocyten en antilichamen
Bijna alle “vreemde” moleculen kunnen dienen als antigenen, zoals eiwitten, polysachariden, lipiden en
nucleïnezuren. Hierbij zijn eiwitten de sterkste antigenen.
ANTIGEEN DETERMINANTEN
De mogelijkheid om te dienen als antigeen is zowel afhankelijk van het formaat als de complexiteit. Alleen
delen van het antigeen zijn geschikt immunogeen, de zogenaamde antigenic determinants. Vrije antilichamen
of lymfocyten binden zoals een enzym aan een substraat bind.
De meeste antigenen die van nature voorkomen hebben een aantal antigeen determinanten op hun oppervlak,
sommige zijn potenter in het uitlokken van aan immuunreactie. Doordat verschillende determinanten door
verschillende lymfocyten worden herkent kan een enkel antigeen daardoor verschillende groepen lymfocyten
activeren en verschillende groepen antilichamen laten ontstaan. Grote eiwitten hebben vele antigeen
determinanten, waardoor deze een hoge immunogeniteit en reactiviteit hebben. Echter, grote moleculen met
simpele structuur (heel vaak herhalende zelfde keten) hebben een lage of geen immunogeniteit.
MHC EIWITTEN
De oppervlak van onze cellen bevat een groot aantal eiwit moleculen. Er vanuit gaande dat er niks mis is
gegaan met ons immuunsysteem zijn zelf-antigeen, niet gevoelig voor lichaamseigen stoffen maar reageren ze
wel sterk op lichaamsvreemde stoffen. De eiwitten die cellen markeren als lichaamseigen zijn MHC eiwitten,
major histocompatibility complex.