Ontstekingsreactie
De cellen van het immuunsysteem zijn wijd verspreid in het lichaam, maar wanneer er een infectie optreedt is
het noodzakelijk hen en hun producten te concentreren op de plaats van de infectie.
Er gebeuren drie dingen bij een ontstekingsreactie:
1. Bloedtoevoer naar het aangedane gebied wordt vergroot
2. De permeabiliteit van de haarvaten wordt vergroot door een samentrekking van endotheelcellen.
Hierdoor kunnen grotere moleculen een capillair verlaten
3. Leukocyten migreren vanuit de venules naar de omliggende weefsels. Tijdens de vroege stadia van
een ontsteking zijn dit vooral neutrofielen, daarna ook monocyten en lymfocyten
Beschadigd weefsel geeft histamine, badykinine, serotonine en prostaglandines. Tevens vindt er bloed
klontering plaats.
Functio laesa: verlies van functie door zwelling, pijn, beschadiging en dient als bescherming
Ontstekingsfasen
1. Hyperemie
Versterkte doorbloeding.
Hyperemie wordt veroorzaakt door vaatverwijdende stoffen (vasoactieve mediatoren), waarvan
histamine en bradykinine de belangrijkste zijn. Aan de veneuze kant van de haarvaten ontstaat een
verhoogde doorbloeding en door de vaatverwijding wordt de flow van het bloed verlaagd. Doordat er
meer bloed in het ontstoken gebied komt, zal het weefsel rood kleuren (=rubor) en warm worden
(=calor).
2. Exsudatie
Uittreden van vocht uit de bloedbaan als gevolg van een verhoogde permeabiliteit van de vaatwand
van de haarvaten. Dit vindt plaats onder invloed van histamine en badykinine, die dus niet alleen voor
hyperemie, maar ook voor exsudatie zorgen. De openingen tussen de endotheelcellen worden groter
door de vasoactieve mediatoren en ook de hydrostatische druk in de capillairen stijgt, waardoor er
meer vocht de bloedvaten verlaat dan normaal. Door de verhoogde permeabiliteit verlaten ook
eiwitten de bloedbaan, waardoor de oncotische druk en daarmee de terugresorptie aan het eind van
de capillairen daalt. Dit betekent dat er meer vocht achterblijft in het ontstoken weefsel, wat
ontstekingsoedeem genoemd wordt. Meer weefselvocht betekent dat er zwelling optreedt bij de
ontsteking (=tumor).
3. Diapedese / infiltratie
Leukocyten uit de bloedbaan ter plaatse van de ontsteking. Als eerst treden granulocyten uit (24 à 48
uur) en daarna de monocyten of macrofagen en plasmacellen. Dit gebeurt onder invloed van
cytokines, die worden afgegeven door endotheelcellen en cellen bij de ontstekingshaard. De
leukocyten zorgen in het ontstoken weefsel voor fagocytose en afbraak van dode cellen en
ziekteverwekkers. Er kan sprake zijn van een aspecifieke of specifieke reactie van de leukocyten.
Granulocyten, bij een ontsteking vooral neutrofielen en macrofagen zorgen voor de aspecifieke
afweer en lymfocyten, waaronder plasmacellen, zijn betrokken bij specifieke reactie met behulp van
antigeenherkenning. Bij een ontsteking zijn dus verschillende typen leukocyten bezig in het weefsel
wardoor er dus sprake is van een verhoogde cellulaire activiteit. Dit heeft als gevolg een verhoogd
energieverbruik en warmteproductie in het ontstoken weefsel. Dit is te merken a;s één van de vijf
ontstekingskenmerken, namelijk calor (=warmte).
4. Proliferatie
Van onder andere fibroblasten met als doel regeneratie en herstel van het weefsel. Roodheid kan ook
in deze fase optreden wanneer onder invloed van groeifactoren proliferatie van bloedvaatjes in het
weefsel plaatsvindt. Hierdoor krijgt het herstellende weefsel, ook wel granulatieweefsel genoemd, een
rood aspect.
Leukocyten
De cellen van het immuunsysteem zijn wijd verspreid in het lichaam, maar wanneer er een infectie optreedt is
het noodzakelijk hen en hun producten te concentreren op de plaats van de infectie.
Er gebeuren drie dingen bij een ontstekingsreactie:
1. Bloedtoevoer naar het aangedane gebied wordt vergroot
2. De permeabiliteit van de haarvaten wordt vergroot door een samentrekking van endotheelcellen.
Hierdoor kunnen grotere moleculen een capillair verlaten
3. Leukocyten migreren vanuit de venules naar de omliggende weefsels. Tijdens de vroege stadia van
een ontsteking zijn dit vooral neutrofielen, daarna ook monocyten en lymfocyten
Beschadigd weefsel geeft histamine, badykinine, serotonine en prostaglandines. Tevens vindt er bloed
klontering plaats.
Functio laesa: verlies van functie door zwelling, pijn, beschadiging en dient als bescherming
Ontstekingsfasen
1. Hyperemie
Versterkte doorbloeding.
Hyperemie wordt veroorzaakt door vaatverwijdende stoffen (vasoactieve mediatoren), waarvan
histamine en bradykinine de belangrijkste zijn. Aan de veneuze kant van de haarvaten ontstaat een
verhoogde doorbloeding en door de vaatverwijding wordt de flow van het bloed verlaagd. Doordat er
meer bloed in het ontstoken gebied komt, zal het weefsel rood kleuren (=rubor) en warm worden
(=calor).
2. Exsudatie
Uittreden van vocht uit de bloedbaan als gevolg van een verhoogde permeabiliteit van de vaatwand
van de haarvaten. Dit vindt plaats onder invloed van histamine en badykinine, die dus niet alleen voor
hyperemie, maar ook voor exsudatie zorgen. De openingen tussen de endotheelcellen worden groter
door de vasoactieve mediatoren en ook de hydrostatische druk in de capillairen stijgt, waardoor er
meer vocht de bloedvaten verlaat dan normaal. Door de verhoogde permeabiliteit verlaten ook
eiwitten de bloedbaan, waardoor de oncotische druk en daarmee de terugresorptie aan het eind van
de capillairen daalt. Dit betekent dat er meer vocht achterblijft in het ontstoken weefsel, wat
ontstekingsoedeem genoemd wordt. Meer weefselvocht betekent dat er zwelling optreedt bij de
ontsteking (=tumor).
3. Diapedese / infiltratie
Leukocyten uit de bloedbaan ter plaatse van de ontsteking. Als eerst treden granulocyten uit (24 à 48
uur) en daarna de monocyten of macrofagen en plasmacellen. Dit gebeurt onder invloed van
cytokines, die worden afgegeven door endotheelcellen en cellen bij de ontstekingshaard. De
leukocyten zorgen in het ontstoken weefsel voor fagocytose en afbraak van dode cellen en
ziekteverwekkers. Er kan sprake zijn van een aspecifieke of specifieke reactie van de leukocyten.
Granulocyten, bij een ontsteking vooral neutrofielen en macrofagen zorgen voor de aspecifieke
afweer en lymfocyten, waaronder plasmacellen, zijn betrokken bij specifieke reactie met behulp van
antigeenherkenning. Bij een ontsteking zijn dus verschillende typen leukocyten bezig in het weefsel
wardoor er dus sprake is van een verhoogde cellulaire activiteit. Dit heeft als gevolg een verhoogd
energieverbruik en warmteproductie in het ontstoken weefsel. Dit is te merken a;s één van de vijf
ontstekingskenmerken, namelijk calor (=warmte).
4. Proliferatie
Van onder andere fibroblasten met als doel regeneratie en herstel van het weefsel. Roodheid kan ook
in deze fase optreden wanneer onder invloed van groeifactoren proliferatie van bloedvaatjes in het
weefsel plaatsvindt. Hierdoor krijgt het herstellende weefsel, ook wel granulatieweefsel genoemd, een
rood aspect.
Leukocyten