HOOFDSTUK 3 : MICROBIALE GENETICA
Verschil tussen DNA en RNA:
RNA: 1 streng
DNA: 2 strengen
virussen kunnen ook dubbelstrengige RNA
hebben
DNA replicatie bij de prokaryoten:
Groot verschil in replicatie virologie en
bacteriologie.
, 2 strengen DNA, 3,5 streng daaraan kan
een complementair stuk DNA worden
aangemaakt a.d.h.v. replicatievork
Zodat je uiteindelijk 2 complementaire DNA
strengen krijgt.
Dit zorgt ervoor dat je uit 1 DNA
dubbelstreng, er 2 dubbel DNA strengen
komen.
DNA polymerase is belangrijk voor de
aanmaak van de complementaire DNA.
Eiwitsynthese: transcriptie en translatie:
Normaal: in de kern transcriptie : DNA RNA & in cytoplasma translatie : RNA eiwitten
Retrovirus reversed transcriptase: omgekeerde transcriptie van RNA DNA
vb: hiv-enzym
Of reversed translatie: omgekeerde translatie van eiwitten naar RNA.
Er zijn 2 soorten van ribosomen (50s en 30s) die samen 1 ribosoom geven.
Per 3 basenparen komt er 1 aminozuur
Stopcodon: UAA, als deze 3 achter elkaar komen dan stopt de eiwitsynthese
3soorten van RNA:
1) Ribosomaal RNA
2) Transfer RNA
3) Messenger RNA
, Eiwitsynthese
Je gaat gebruik maken van ribosomen.
Benodigdheden:
1. Genetisch materiaal dat nodig is:
Je hebt 3 soorten genetisch materiaal nodig:
a. een deel van het DNA moet afgelezen worden van het ribosomaal RNA.
b. We hebben het genetisch materiaal nodig dat we willen aflezen tot eiwitten:
Messenger RNA. Dit gaat doorheen de ribosomen.
c. Dit bevat genetisch materiaal dat we graag willen omzetten tot een eiwit.
2. Aminozuren:
- Die met elkaar verbonden zijn
- Hangen vast aan transfer RNA
o Ook 3 baseparen bepalen waaraan het kan binden vormen soort van
complex
3. Ribosomen :
- 50s ribosoom: 3 sides: A, P en E
Werking :
- Messenger RNA telkens 3 basen gaat doorheen 50s en 30 & bevat genetisch
materiaal om eiwit aan te maken
- Als het erdoor komt transfer RNA bindt ermee door de complementaire base
Gaat niet elke transfer RNA kunnen binden ENKEL diegenen met juiste informatie
- Komt binnen op plaats P
- 2de transfer RNA komt terugkoppelen aan messenger RNA
Hieraan hangt er ook aminozuur vast
Alle informatie hangt allemaal vast aan transfer RNA
- Nu hebben we 2 aminozuren naar elkaar amidebrug vorming
- Via E plaats gaat eerste transfer RNA worden afgestoten
- Op plaats A kan terug nieuwe transfer RNA komen met nieuwe aminozuren
Kortweg : binnenkomen op plaats A op plaats P gebeurt de polypeptide opbouw op plaats E
gaat het weg.
Hoe lang de keten wordt is afhankelijk van de stopcodon, de stopcodon zorgt voor een
stop van de eiwitsynthese.
MUTATIES
= veranderingen in de sequentie van de nucleotide in het DNA. Kan kleine of grote genetische
verandering zijn Vorming van Mutant
- Genotype (genetische informatie) is altijd veranderd
- Fenotype (specifieke karakteristieken- morfologie) is soms veranderd
2 belangrijke soorten of mutaties:
1. Puntmutaties
= base substitutie kleine veranderingen 1 codon in een gen veranderd
Eiwit kan dan veranderen en deze veranderingen zijn meestal klein. Vb. wijziging in
de nucleotide: A wordt een T.
2. Frameshift
= deletie of insertie van één of meerdere basen kan resulterende eiwit (fenotype)
beïnvloeden.
Verschil tussen DNA en RNA:
RNA: 1 streng
DNA: 2 strengen
virussen kunnen ook dubbelstrengige RNA
hebben
DNA replicatie bij de prokaryoten:
Groot verschil in replicatie virologie en
bacteriologie.
, 2 strengen DNA, 3,5 streng daaraan kan
een complementair stuk DNA worden
aangemaakt a.d.h.v. replicatievork
Zodat je uiteindelijk 2 complementaire DNA
strengen krijgt.
Dit zorgt ervoor dat je uit 1 DNA
dubbelstreng, er 2 dubbel DNA strengen
komen.
DNA polymerase is belangrijk voor de
aanmaak van de complementaire DNA.
Eiwitsynthese: transcriptie en translatie:
Normaal: in de kern transcriptie : DNA RNA & in cytoplasma translatie : RNA eiwitten
Retrovirus reversed transcriptase: omgekeerde transcriptie van RNA DNA
vb: hiv-enzym
Of reversed translatie: omgekeerde translatie van eiwitten naar RNA.
Er zijn 2 soorten van ribosomen (50s en 30s) die samen 1 ribosoom geven.
Per 3 basenparen komt er 1 aminozuur
Stopcodon: UAA, als deze 3 achter elkaar komen dan stopt de eiwitsynthese
3soorten van RNA:
1) Ribosomaal RNA
2) Transfer RNA
3) Messenger RNA
, Eiwitsynthese
Je gaat gebruik maken van ribosomen.
Benodigdheden:
1. Genetisch materiaal dat nodig is:
Je hebt 3 soorten genetisch materiaal nodig:
a. een deel van het DNA moet afgelezen worden van het ribosomaal RNA.
b. We hebben het genetisch materiaal nodig dat we willen aflezen tot eiwitten:
Messenger RNA. Dit gaat doorheen de ribosomen.
c. Dit bevat genetisch materiaal dat we graag willen omzetten tot een eiwit.
2. Aminozuren:
- Die met elkaar verbonden zijn
- Hangen vast aan transfer RNA
o Ook 3 baseparen bepalen waaraan het kan binden vormen soort van
complex
3. Ribosomen :
- 50s ribosoom: 3 sides: A, P en E
Werking :
- Messenger RNA telkens 3 basen gaat doorheen 50s en 30 & bevat genetisch
materiaal om eiwit aan te maken
- Als het erdoor komt transfer RNA bindt ermee door de complementaire base
Gaat niet elke transfer RNA kunnen binden ENKEL diegenen met juiste informatie
- Komt binnen op plaats P
- 2de transfer RNA komt terugkoppelen aan messenger RNA
Hieraan hangt er ook aminozuur vast
Alle informatie hangt allemaal vast aan transfer RNA
- Nu hebben we 2 aminozuren naar elkaar amidebrug vorming
- Via E plaats gaat eerste transfer RNA worden afgestoten
- Op plaats A kan terug nieuwe transfer RNA komen met nieuwe aminozuren
Kortweg : binnenkomen op plaats A op plaats P gebeurt de polypeptide opbouw op plaats E
gaat het weg.
Hoe lang de keten wordt is afhankelijk van de stopcodon, de stopcodon zorgt voor een
stop van de eiwitsynthese.
MUTATIES
= veranderingen in de sequentie van de nucleotide in het DNA. Kan kleine of grote genetische
verandering zijn Vorming van Mutant
- Genotype (genetische informatie) is altijd veranderd
- Fenotype (specifieke karakteristieken- morfologie) is soms veranderd
2 belangrijke soorten of mutaties:
1. Puntmutaties
= base substitutie kleine veranderingen 1 codon in een gen veranderd
Eiwit kan dan veranderen en deze veranderingen zijn meestal klein. Vb. wijziging in
de nucleotide: A wordt een T.
2. Frameshift
= deletie of insertie van één of meerdere basen kan resulterende eiwit (fenotype)
beïnvloeden.