De laatste brief
(1940)
1. De wereld scheen vol lichtere geluiden a
2. En een soldaat sliep op zijn overjas. b
3. Hij droomde lachend dat het vrede was b
4. Omdat er in zijn droom een klok ging luiden. a
5. Er viel een vogel die geen vogel was b
6. Niet ver van hem tussen de warme kruiden, a
7. En hij werd niet meer wakker want het gras b
8. Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde. a
9. Het regende en woei. Toen herbegon c
10. Achter de grijze lijn der horizon c
11. Het bulderen - goedmoedig - der kanonnen. d
12. Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, e
13. Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: e
14. Liefste, de oorlog is nog niet begonnen. d
Bertus Aafjes (1914-1993) - 3
Het is een sonnet, 14 versregels. En twee kwatrijnen; octaaf, twee terzinen; sextet. Het gedicht heeft
dus 4 strofen. In regel 7 en 8 zie je enjambement, ook zie je dit in heel de derde strofe. De zin loopt
door in een volgende versregel. (Enjambement= onderstreept)
Volrijm zie je in elke regel aan het einde, eindrijm. (volrijm= schuingedrukt)
assonantie = groen
alliteratie = roze
er wordt gebruik gemaakt van eindrijm, het rijmschema is ABBA. Dat is omarmend rijm.
Beeldspraak:
regel 5: metafoor, vergelijking waarbij het beeld (vogel) wordt genoemd maar het object ontbreekt.
regel 1: synesthesie, scheen = zien en geluiden= horen
regel 11: personificatie
Stijlfiguur:
regel 7 + 8: eufemisme, ‘niet meer wakker worden’ ‘gras wordt rood’
, Democraat
(1949)
1. In deze kamer ben ik eindlijk thuis. a
2. Ik zal geen vers meer schrijven dat mijn leven b
3. uiteen moet rukken om te zijn geschreven. b
4. Ben ik een dichter, dan is 't per abuis. a
5. Ik lees het nieuwe boek. De kachel suist. c
6. Geertruida staat een overhemd te strijken. d
7. Ik heb maar van de bladzij op te kijken d
8. om te beseffen welk geluk hier huist. c
9. Zo zal het door de jaren blijven duren. e
10. We krijgen straks een kind en mijn pensioen f
11. zal voor onze ouwe dag het zijne doen. f
12. We hoeven niet voortijdig te verzuren. e
13. Ook leven wij in vrede met de buren. e
14. De ene heet Van Brakel, de ander Griffioen. f
Gerrit Achterberg (1905-1962) - 4
Het gedicht heeft ook weer 14 versregels, met 4 strofes. De eerste twee zijn een
kwatrijn en vormen samen dus een octaaf. De derde strofe is ook een kwatrijn, maar
strofe 4 is een distichon. Ook hier zit weer enjambement in; regels 2+3, 7+8, 10+11.
(enjambement=onderstreept)
aan het einde van elke versregel zit volrijm/ eindrijm. (volrijm=schuingedrukt)
assonantie= groen
alliteratie= roze
in strofe 1,2 en 3 is het rijmschema omarmend rijm (ABBA)
Beeldspraak:
personificaties: geluk huist; regel 9 & pensioen zal …. Het zijne doen; regel 10+11
metafoor/hyperbool: regel 2+3. Het kan bij de lezer overkomen als; ‘ik zal geen vers
meer schrijven waar ik veel moeite voor moet doen’
Stijlfiguur:
eufemisme: regels 11; ‘ouwe dag’ .
(1940)
1. De wereld scheen vol lichtere geluiden a
2. En een soldaat sliep op zijn overjas. b
3. Hij droomde lachend dat het vrede was b
4. Omdat er in zijn droom een klok ging luiden. a
5. Er viel een vogel die geen vogel was b
6. Niet ver van hem tussen de warme kruiden, a
7. En hij werd niet meer wakker want het gras b
8. Werd rood, een ieder weet wat dat beduidde. a
9. Het regende en woei. Toen herbegon c
10. Achter de grijze lijn der horizon c
11. Het bulderen - goedmoedig - der kanonnen. d
12. Maar uit zijn jas, terwijl hij liggen bleef, e
13. Bevrijdde zich het laatste wat hij schreef: e
14. Liefste, de oorlog is nog niet begonnen. d
Bertus Aafjes (1914-1993) - 3
Het is een sonnet, 14 versregels. En twee kwatrijnen; octaaf, twee terzinen; sextet. Het gedicht heeft
dus 4 strofen. In regel 7 en 8 zie je enjambement, ook zie je dit in heel de derde strofe. De zin loopt
door in een volgende versregel. (Enjambement= onderstreept)
Volrijm zie je in elke regel aan het einde, eindrijm. (volrijm= schuingedrukt)
assonantie = groen
alliteratie = roze
er wordt gebruik gemaakt van eindrijm, het rijmschema is ABBA. Dat is omarmend rijm.
Beeldspraak:
regel 5: metafoor, vergelijking waarbij het beeld (vogel) wordt genoemd maar het object ontbreekt.
regel 1: synesthesie, scheen = zien en geluiden= horen
regel 11: personificatie
Stijlfiguur:
regel 7 + 8: eufemisme, ‘niet meer wakker worden’ ‘gras wordt rood’
, Democraat
(1949)
1. In deze kamer ben ik eindlijk thuis. a
2. Ik zal geen vers meer schrijven dat mijn leven b
3. uiteen moet rukken om te zijn geschreven. b
4. Ben ik een dichter, dan is 't per abuis. a
5. Ik lees het nieuwe boek. De kachel suist. c
6. Geertruida staat een overhemd te strijken. d
7. Ik heb maar van de bladzij op te kijken d
8. om te beseffen welk geluk hier huist. c
9. Zo zal het door de jaren blijven duren. e
10. We krijgen straks een kind en mijn pensioen f
11. zal voor onze ouwe dag het zijne doen. f
12. We hoeven niet voortijdig te verzuren. e
13. Ook leven wij in vrede met de buren. e
14. De ene heet Van Brakel, de ander Griffioen. f
Gerrit Achterberg (1905-1962) - 4
Het gedicht heeft ook weer 14 versregels, met 4 strofes. De eerste twee zijn een
kwatrijn en vormen samen dus een octaaf. De derde strofe is ook een kwatrijn, maar
strofe 4 is een distichon. Ook hier zit weer enjambement in; regels 2+3, 7+8, 10+11.
(enjambement=onderstreept)
aan het einde van elke versregel zit volrijm/ eindrijm. (volrijm=schuingedrukt)
assonantie= groen
alliteratie= roze
in strofe 1,2 en 3 is het rijmschema omarmend rijm (ABBA)
Beeldspraak:
personificaties: geluk huist; regel 9 & pensioen zal …. Het zijne doen; regel 10+11
metafoor/hyperbool: regel 2+3. Het kan bij de lezer overkomen als; ‘ik zal geen vers
meer schrijven waar ik veel moeite voor moet doen’
Stijlfiguur:
eufemisme: regels 11; ‘ouwe dag’ .