Palet vol theoriëen
1. Wat is psychologie
Voor de term psychologie is er geen specifieke definitie. Er is namelijk geen eenduidigheid over dit
(studie)object. Bij exacte wetenschappen zoals wiskunde en fysica kan men snel aanduiden wat de
wetenschap inhoudt. Bij menswetenschappen zoals psychologie en sociologie lukt dit echter niet.
Wanneer we de term wil uitleggen kunnen we dit onderscheiden in 2 types
- Extern tussen psychologie ne andere ‘mens’wetenschappen (veel raakvlakken met andere
wetenschappen)
- Intern stromingen binnen psychologie (zorgt voor veel meningsverschillen)
Wat wordt er bestudeerd is makkelijk uit te leggen. De psychologie maakt deel uit van de
geneeskunde.
2. Theorieën
= referentiekaders
Deze kaders bieden interpretaties waarmee verschijnselen bekeken en verhelderd worden. Er is een
grote verscheidenheid door specifieke onderwerpen.
Er zijn verschillende theorieën eenzelfde verschijnsel wordt verschillend beschreven en verklaard
Functies
1. Systematiseren/ordenen wetenschappelijke kennisverwerving geschiedt volgens 2 regels
controleerbaar en herhaalbaar
2. Verklaren/voorspellen van gedrag
3. Heuristische functie theorie is nooit af; er zijn telkens weer nieuwe ideeën
3. Kenmerken psychologische stromingen
- Stroming heeft geschiedenis
- Stroming heeft een mensbeeld
,Geschiedenis
Altijd historische ontwikkeling
Invloed van cultuur en tijdstip ontstaan
Stromingen reageren op elkaar
Sprake van wisselende modes (= slingerbeweging)
Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten
Evidence based
= wetenschappelijk bewijs (kwalitatief en kwantitatief onderzoek)
Nadruk effectiviteit methode/behandeling
Theorie en daarop gebaseerde behandeling moet bewijzen dat ze juist inzicht biedt en dus
werkt
Afkomstig uit medische wetenschap
Mensbeeld
= hoe mens opgevat wordt
- Beïnvloeding door historische, religieuze en culturele invloeden
- Consequenties voor opvattingen over gezondheid en ziekte
2 aspecten
A) Beschrijving kenmerkende eigenschappen
B) Verwijzing naar hoe mensen behoren te zijn/gedragen
3 niveau’s
Persoonlijk niveau Toenemende
Organistisch niveau complexiteit
Mechanistisch niveau
Mechanistisch Organistisch Persoonlijk
Mens als mechaniek Mens als organisme Mens cultuur-wezen, talig-
wezen, spreek-wezen
Mens ingewikkeld dier Vergelijking met dier kan zinvol Menselijk handelen is
zijn doelgericht
Ieder mens en menselijk Organisme niet los te Kennis uit dierexperimenten zegt
deeltje afzonderlijk bestuderen bestuderen van omgeving niets over menselijk gedrag
Invloed omgeving niet
essentieel
Lineair causaal Circulair verklaringsmodel
verklaringsmodel
Geheel = som der delen Geheel > som der delen Mens is 1 geheel
Statisch Dynamisch
, 4. AST
= algemene systeemtheorie
Deze theorie biedt overkoepelend kader voor alle verschillende wetenschappen en theorieën. Het is
dan ook een metatheorie. Dit betekent dat het een theorie is over theorieën.
5 uitgangspunten
A) Werkelijkheid op te delen in verschillende hiërarchische niveaus
B) Elk niveau functioneert als open systeem
C) Toenemende complexiteit bij stijgende hiërarchie
D) Geen enkel niveau te herleiden tot ander niveau maar wordt er wel door beïnvloed
E) Mens is hoogste niveau biologische hiërarchie en laagste van sociale
Werken met AST
Vereenvoudigd weergegeven in biopsychosociaal model
Bij verklaren gedrag op zoek naar sociale, psychische en biologische invloeden op gedrag
Elk van deze 3 niveaus heeft invloed op ons gedrag, wel niet evenredig
Voorbeeld verkeerde toepassing binnen bepaalde vormen van holistisch denken
BPS-Model
Complexe eenheden zijn gesuperponeerd op minder complexe
Elk niveau in hiërarchie representeert georganiseerd dynamisch geheel/systeem
Ieder afzonderlijk systeem heeft eigen beschrijvende relaties typerend voor dat niveau
Ieder niveau wordt beïnvloed door andere systemen waarmee het verbonden is
1. Wat is psychologie
Voor de term psychologie is er geen specifieke definitie. Er is namelijk geen eenduidigheid over dit
(studie)object. Bij exacte wetenschappen zoals wiskunde en fysica kan men snel aanduiden wat de
wetenschap inhoudt. Bij menswetenschappen zoals psychologie en sociologie lukt dit echter niet.
Wanneer we de term wil uitleggen kunnen we dit onderscheiden in 2 types
- Extern tussen psychologie ne andere ‘mens’wetenschappen (veel raakvlakken met andere
wetenschappen)
- Intern stromingen binnen psychologie (zorgt voor veel meningsverschillen)
Wat wordt er bestudeerd is makkelijk uit te leggen. De psychologie maakt deel uit van de
geneeskunde.
2. Theorieën
= referentiekaders
Deze kaders bieden interpretaties waarmee verschijnselen bekeken en verhelderd worden. Er is een
grote verscheidenheid door specifieke onderwerpen.
Er zijn verschillende theorieën eenzelfde verschijnsel wordt verschillend beschreven en verklaard
Functies
1. Systematiseren/ordenen wetenschappelijke kennisverwerving geschiedt volgens 2 regels
controleerbaar en herhaalbaar
2. Verklaren/voorspellen van gedrag
3. Heuristische functie theorie is nooit af; er zijn telkens weer nieuwe ideeën
3. Kenmerken psychologische stromingen
- Stroming heeft geschiedenis
- Stroming heeft een mensbeeld
,Geschiedenis
Altijd historische ontwikkeling
Invloed van cultuur en tijdstip ontstaan
Stromingen reageren op elkaar
Sprake van wisselende modes (= slingerbeweging)
Stromingen maken gebruik van elkaars inzichten
Evidence based
= wetenschappelijk bewijs (kwalitatief en kwantitatief onderzoek)
Nadruk effectiviteit methode/behandeling
Theorie en daarop gebaseerde behandeling moet bewijzen dat ze juist inzicht biedt en dus
werkt
Afkomstig uit medische wetenschap
Mensbeeld
= hoe mens opgevat wordt
- Beïnvloeding door historische, religieuze en culturele invloeden
- Consequenties voor opvattingen over gezondheid en ziekte
2 aspecten
A) Beschrijving kenmerkende eigenschappen
B) Verwijzing naar hoe mensen behoren te zijn/gedragen
3 niveau’s
Persoonlijk niveau Toenemende
Organistisch niveau complexiteit
Mechanistisch niveau
Mechanistisch Organistisch Persoonlijk
Mens als mechaniek Mens als organisme Mens cultuur-wezen, talig-
wezen, spreek-wezen
Mens ingewikkeld dier Vergelijking met dier kan zinvol Menselijk handelen is
zijn doelgericht
Ieder mens en menselijk Organisme niet los te Kennis uit dierexperimenten zegt
deeltje afzonderlijk bestuderen bestuderen van omgeving niets over menselijk gedrag
Invloed omgeving niet
essentieel
Lineair causaal Circulair verklaringsmodel
verklaringsmodel
Geheel = som der delen Geheel > som der delen Mens is 1 geheel
Statisch Dynamisch
, 4. AST
= algemene systeemtheorie
Deze theorie biedt overkoepelend kader voor alle verschillende wetenschappen en theorieën. Het is
dan ook een metatheorie. Dit betekent dat het een theorie is over theorieën.
5 uitgangspunten
A) Werkelijkheid op te delen in verschillende hiërarchische niveaus
B) Elk niveau functioneert als open systeem
C) Toenemende complexiteit bij stijgende hiërarchie
D) Geen enkel niveau te herleiden tot ander niveau maar wordt er wel door beïnvloed
E) Mens is hoogste niveau biologische hiërarchie en laagste van sociale
Werken met AST
Vereenvoudigd weergegeven in biopsychosociaal model
Bij verklaren gedrag op zoek naar sociale, psychische en biologische invloeden op gedrag
Elk van deze 3 niveaus heeft invloed op ons gedrag, wel niet evenredig
Voorbeeld verkeerde toepassing binnen bepaalde vormen van holistisch denken
BPS-Model
Complexe eenheden zijn gesuperponeerd op minder complexe
Elk niveau in hiërarchie representeert georganiseerd dynamisch geheel/systeem
Ieder afzonderlijk systeem heeft eigen beschrijvende relaties typerend voor dat niveau
Ieder niveau wordt beïnvloed door andere systemen waarmee het verbonden is