NOVA SCHEIKUNDE - HOOFDSTUK 3 VWO 3
3.1 atoommodel
DE BOUW VAN EEN ATOOM
De ontwikkeling van het atoommodel loopt parallel aan de ontwikkeling van meetapparatuur,
waarmee kleinere deeltjes meetbaar werden.
Atomen zijn namelijk al klein, maar de bouwstenen van atomen zijn nog veel kleiner:
- protonen
- elektronen
- neutronen
HET ATOOMMODEL
Volgens het atoommodel bestaat een atoom uit: positief geladen atoomkern waar negatief
geladen elektronen in elektronenschillen omheen bewegen.
Elektronenschillen zijn vaste banen waarin de elektronen zich bevinden. Ze worden
aangeduid met de letters K, L en m.
In elke schil past specifiek aantal elektronen. In de
schillen passen van binnen naar buiten steeds meer
elektronen.
De atoomkern bestaat uit positief geladen protonen
met daartussen ongeladen neutronen.
Een proton heeft een positieve lading die even groot
is, maar tegengesteld aan de negatieve lading van
een elektron. Atomen zijn zelf ongeladen. Dat houdt in
dat in een atoom evenveel protonen als elektronen
aanwezig zijn. Een neutron is ongeladen, maar heeft
een massa die vrijwel gelijk is aan die van een proton.
De massa van een elektron is veel kleiner.
Massa van deze deeltjes wordt uitgedrukt in atomaire
massa eenheid, u. De grootte van atoom wordt bepaald door elektronenwolk.
HET ATOOMNUMMER
Het aantal protonen in een atoomkern wordt aangegeven met het atoomnummer, elke
atoomsoort heeft zijn eigen atoomnummer. IJzer heeft atoomnummer 26. Als je het
atoomnummer kent, weet je ook het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de kern,
dat is namelijk gelijk aan het aantal protonen.
HET MASSAGETAL
Het massagetal is de som van en aantal protonen en het aantal neutronen Atomen in
dezelfde atoomsoort kunnen verschillende massagetallen hebben, aangezien de neutronen
in de kern verschillend kunnen zijn.
ISOTOPEN
Isotopen zijn de atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de
kern. Ze hebben hetzelfde atoomnummer maar verschillende massagetallen. Om aan te
3.1 atoommodel
DE BOUW VAN EEN ATOOM
De ontwikkeling van het atoommodel loopt parallel aan de ontwikkeling van meetapparatuur,
waarmee kleinere deeltjes meetbaar werden.
Atomen zijn namelijk al klein, maar de bouwstenen van atomen zijn nog veel kleiner:
- protonen
- elektronen
- neutronen
HET ATOOMMODEL
Volgens het atoommodel bestaat een atoom uit: positief geladen atoomkern waar negatief
geladen elektronen in elektronenschillen omheen bewegen.
Elektronenschillen zijn vaste banen waarin de elektronen zich bevinden. Ze worden
aangeduid met de letters K, L en m.
In elke schil past specifiek aantal elektronen. In de
schillen passen van binnen naar buiten steeds meer
elektronen.
De atoomkern bestaat uit positief geladen protonen
met daartussen ongeladen neutronen.
Een proton heeft een positieve lading die even groot
is, maar tegengesteld aan de negatieve lading van
een elektron. Atomen zijn zelf ongeladen. Dat houdt in
dat in een atoom evenveel protonen als elektronen
aanwezig zijn. Een neutron is ongeladen, maar heeft
een massa die vrijwel gelijk is aan die van een proton.
De massa van een elektron is veel kleiner.
Massa van deze deeltjes wordt uitgedrukt in atomaire
massa eenheid, u. De grootte van atoom wordt bepaald door elektronenwolk.
HET ATOOMNUMMER
Het aantal protonen in een atoomkern wordt aangegeven met het atoomnummer, elke
atoomsoort heeft zijn eigen atoomnummer. IJzer heeft atoomnummer 26. Als je het
atoomnummer kent, weet je ook het aantal elektronen in de elektronenwolk rond de kern,
dat is namelijk gelijk aan het aantal protonen.
HET MASSAGETAL
Het massagetal is de som van en aantal protonen en het aantal neutronen Atomen in
dezelfde atoomsoort kunnen verschillende massagetallen hebben, aangezien de neutronen
in de kern verschillend kunnen zijn.
ISOTOPEN
Isotopen zijn de atomen van hetzelfde element met een verschillend aantal neutronen in de
kern. Ze hebben hetzelfde atoomnummer maar verschillende massagetallen. Om aan te