Economie H1 en H2
In deze samenvatting worden de hoofdstukken 1 en 2 behandeld met begrippen en
rekenvoorbeelden.
Hoofdstuk1
Schaarste= je hebt te weinig om iedereen in een bepaalde behoefte te voorzien.
Maar economen kunnen het ook met tijd bedoelen, ze spreken dan over schaars de tijd
hebben als je keuzes moet maken op de manier waarop je tijd besteedt.
Budgettair probleem= als je uitgaven hoger zijn dan je inkomsten. Al je in en uitgaven staan
in een begroting. Als je een budgettair probleem heb dan noem je de begroting ook wel niet
sluitend. Je hebt verschillende soorten uitgaven: dagelijkse uitgaven, vaste lasten en
incidentele uitgaven.
Dagelijkse uitgaven, levensonderhoud zoals eten en drinken.
Vaste lasten, uitgaven die iedere periode terugkomen zoals gas, water en licht
Incidentele uitgaven, uitgaven die af en toe voorkomen zoals op vakantie gaan.
Budgetlijn tekenen
Hiernaast zie je hoe een budgetlijn werkt en hoe
je die moet tekenen. Let op: langs de assen waar
het overgaat, netjes werken en goede stap grote.
Opofferingskosten is alles wat je moet opofferen
om iets te verkrijgen. Opofferingskosten gaan er
vanuit de je middelen alternatief wendbaar zijn.
Dat houdt in dat als je een mobieltje koopt dat je
dan je kleren niet meer kunt kopen.
Motieven voor behoeftebevrediging
basis of primaire behoeften: dak boven je
hoofd, voedsel en kleding.
secundaire behoeften: deze behoefte zijn pas van belang als de primaire behoefte
zijn vervuld. Secundaire behoefte bestaan uit twee dingen: normale en luxe
behoeften. Normale behoeften die steken net boven de basis behoeften uit. Denk aan
sporten, frisdrank of dicht bij school willen wonen. Luxe behoeften zijn dingen als
merkkleding of een dure sportauto. Bij deze luxe goederen draait het vaak om een
goede status willen hebben. Je noemt deze goederen ( merkkleding) ook wel status
goederen.
Gezin, een bedrijf en de overheid noemen economen huishoudens.
Tussen gezinnen, bedrijven en overheden zijn er verschillende overeenkomsten over de
manier waarop ze hun middelen inzetten:
1. Elk huishouden heeft een prioriteiten lijst. Deze geeft de belangrijkheid van uitgaven weer.
Dit hangt af van de behoeften maar ook van de verplichtingen die een huishouden heeft. Bij
gezinshuishoudens zie je dit duidelijk, allereerst is kleding en een dak boven hun hoofd
belangrijk. Daarnaast heeft een gezin verplichte kosten zoals ziektekostenverzekering.
Omdat deze uitgaven al vaak voor een langere tijd vastliggen moet een gezin gaan
budgetteren. Dit is het maken van een begroting, zo kan je duidelijk zien wat je overhoud (of
niet) en waar je geld voor moet reserveren.
De overheid heeft haar uitgaven ook vastliggen in de wet, denk aan de werkloosheidswet.
Om dit aan te passen moeten ze dat wijzigen in de wet, hierdoor zijn de middel niet heel erg
alternatief wendbaar.De overheid budgetteert jaarlijks dat noem je een rijksbegroting.
, 2. Beslissen over de inzet van productiefactoren. Deze productie factoren zijn: arbeid,
natuur, kapitaal en ondernemerschap. Arbeid dat doet de mens, Natuur levert grond en
natuurlijke hulpbronnen, Kapitaal dit bestaat uit hulpmiddelen waarmee de productie sneller
kan verlopen en Ondernemerschap is het initiatief om bovenstaande productiefactoren met
elkaar te combineren.
Gezinshuishoudens, zzp’ers en agrarische bedrijven beschikken zelf over de
productiefactoren. Bedrijfshuishoudens moeten zelf de productiefactoren aanschaffen, een
bedrijf betaalt voor loon en de huur voor het pand. De overheid beslist over kapitaalgoederen
denk aan gebouwen en wegen. Ook beslist de overheid over het productiefactor natuur,
zoals grond.
3. De manier waarop huishoudens kiezen. Binnen een gezin is dat een individuele keuze. Bij
een bedrijf is dit vaak een commerciële keuze.
Productie is het maken van goederen en het leveren van diensten. Consumptie zijn de
uitgaven die door gezinshuishoudens worden gedaan. Je spreekt van schaalvoordelen als
de gemiddelde kosten per eenheid dalen bij een grotere productie omvang.
Arbeidsproductiviteit is de productiviteit van 1 persoon. Dus de hoeveel producten die een
persoon kan produceren in een bepaalde tijdseenheid.
Arbeidsproductiviteit= totale productieomvang in een bepaalde periode
------------------------------------------------------------------
aantal werknemers in dezelfde periode
Arbeidsproductiviteit= productieomvang werknemer in een bepaalde periode
per werknemer ------------------------------------------------------------------------
aantal gewerkte uren in dezelfde periode
% verandering= stijging of daling arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit ------------------------------------------------- x100%
Arbeidsproductiviteit vorige periode
Arbeidsdeling is het opsplitsen van werkzaamheden aan een product of dienst.
Hoofdstuk 2
Eigendomsrechten dat betekend dat je juridisch eigenaar bent van een bepaald goed. Dit
geeft het recht om het te gebruiken, ruilen of te verkopen.
De overheid beschermt ook deze rechten, door middel van de wetten en regels.
Transactiekosten zijn alle kosten die iemand maakt om:
een ruil partner te vinden
tot een overeenkomst te komen
de overeenkomst af te handelen
Directe ruil is als goederen met elkaar geruild worden, de transactie kosten zijn dan vaak
hoog. Indirecte ruil is dat er niet meer rechtstreeks wordt geruild maar met een ‘tussenstap’,
geld.
Functies van geld:
ruilmiddel, je ruilt geld tegen goederen en diensten.
rekenmiddel, hierdoor zorg je dat alle onderlingen ruilverhoudingen vastliggen.
In deze samenvatting worden de hoofdstukken 1 en 2 behandeld met begrippen en
rekenvoorbeelden.
Hoofdstuk1
Schaarste= je hebt te weinig om iedereen in een bepaalde behoefte te voorzien.
Maar economen kunnen het ook met tijd bedoelen, ze spreken dan over schaars de tijd
hebben als je keuzes moet maken op de manier waarop je tijd besteedt.
Budgettair probleem= als je uitgaven hoger zijn dan je inkomsten. Al je in en uitgaven staan
in een begroting. Als je een budgettair probleem heb dan noem je de begroting ook wel niet
sluitend. Je hebt verschillende soorten uitgaven: dagelijkse uitgaven, vaste lasten en
incidentele uitgaven.
Dagelijkse uitgaven, levensonderhoud zoals eten en drinken.
Vaste lasten, uitgaven die iedere periode terugkomen zoals gas, water en licht
Incidentele uitgaven, uitgaven die af en toe voorkomen zoals op vakantie gaan.
Budgetlijn tekenen
Hiernaast zie je hoe een budgetlijn werkt en hoe
je die moet tekenen. Let op: langs de assen waar
het overgaat, netjes werken en goede stap grote.
Opofferingskosten is alles wat je moet opofferen
om iets te verkrijgen. Opofferingskosten gaan er
vanuit de je middelen alternatief wendbaar zijn.
Dat houdt in dat als je een mobieltje koopt dat je
dan je kleren niet meer kunt kopen.
Motieven voor behoeftebevrediging
basis of primaire behoeften: dak boven je
hoofd, voedsel en kleding.
secundaire behoeften: deze behoefte zijn pas van belang als de primaire behoefte
zijn vervuld. Secundaire behoefte bestaan uit twee dingen: normale en luxe
behoeften. Normale behoeften die steken net boven de basis behoeften uit. Denk aan
sporten, frisdrank of dicht bij school willen wonen. Luxe behoeften zijn dingen als
merkkleding of een dure sportauto. Bij deze luxe goederen draait het vaak om een
goede status willen hebben. Je noemt deze goederen ( merkkleding) ook wel status
goederen.
Gezin, een bedrijf en de overheid noemen economen huishoudens.
Tussen gezinnen, bedrijven en overheden zijn er verschillende overeenkomsten over de
manier waarop ze hun middelen inzetten:
1. Elk huishouden heeft een prioriteiten lijst. Deze geeft de belangrijkheid van uitgaven weer.
Dit hangt af van de behoeften maar ook van de verplichtingen die een huishouden heeft. Bij
gezinshuishoudens zie je dit duidelijk, allereerst is kleding en een dak boven hun hoofd
belangrijk. Daarnaast heeft een gezin verplichte kosten zoals ziektekostenverzekering.
Omdat deze uitgaven al vaak voor een langere tijd vastliggen moet een gezin gaan
budgetteren. Dit is het maken van een begroting, zo kan je duidelijk zien wat je overhoud (of
niet) en waar je geld voor moet reserveren.
De overheid heeft haar uitgaven ook vastliggen in de wet, denk aan de werkloosheidswet.
Om dit aan te passen moeten ze dat wijzigen in de wet, hierdoor zijn de middel niet heel erg
alternatief wendbaar.De overheid budgetteert jaarlijks dat noem je een rijksbegroting.
, 2. Beslissen over de inzet van productiefactoren. Deze productie factoren zijn: arbeid,
natuur, kapitaal en ondernemerschap. Arbeid dat doet de mens, Natuur levert grond en
natuurlijke hulpbronnen, Kapitaal dit bestaat uit hulpmiddelen waarmee de productie sneller
kan verlopen en Ondernemerschap is het initiatief om bovenstaande productiefactoren met
elkaar te combineren.
Gezinshuishoudens, zzp’ers en agrarische bedrijven beschikken zelf over de
productiefactoren. Bedrijfshuishoudens moeten zelf de productiefactoren aanschaffen, een
bedrijf betaalt voor loon en de huur voor het pand. De overheid beslist over kapitaalgoederen
denk aan gebouwen en wegen. Ook beslist de overheid over het productiefactor natuur,
zoals grond.
3. De manier waarop huishoudens kiezen. Binnen een gezin is dat een individuele keuze. Bij
een bedrijf is dit vaak een commerciële keuze.
Productie is het maken van goederen en het leveren van diensten. Consumptie zijn de
uitgaven die door gezinshuishoudens worden gedaan. Je spreekt van schaalvoordelen als
de gemiddelde kosten per eenheid dalen bij een grotere productie omvang.
Arbeidsproductiviteit is de productiviteit van 1 persoon. Dus de hoeveel producten die een
persoon kan produceren in een bepaalde tijdseenheid.
Arbeidsproductiviteit= totale productieomvang in een bepaalde periode
------------------------------------------------------------------
aantal werknemers in dezelfde periode
Arbeidsproductiviteit= productieomvang werknemer in een bepaalde periode
per werknemer ------------------------------------------------------------------------
aantal gewerkte uren in dezelfde periode
% verandering= stijging of daling arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit ------------------------------------------------- x100%
Arbeidsproductiviteit vorige periode
Arbeidsdeling is het opsplitsen van werkzaamheden aan een product of dienst.
Hoofdstuk 2
Eigendomsrechten dat betekend dat je juridisch eigenaar bent van een bepaald goed. Dit
geeft het recht om het te gebruiken, ruilen of te verkopen.
De overheid beschermt ook deze rechten, door middel van de wetten en regels.
Transactiekosten zijn alle kosten die iemand maakt om:
een ruil partner te vinden
tot een overeenkomst te komen
de overeenkomst af te handelen
Directe ruil is als goederen met elkaar geruild worden, de transactie kosten zijn dan vaak
hoog. Indirecte ruil is dat er niet meer rechtstreeks wordt geruild maar met een ‘tussenstap’,
geld.
Functies van geld:
ruilmiddel, je ruilt geld tegen goederen en diensten.
rekenmiddel, hierdoor zorg je dat alle onderlingen ruilverhoudingen vastliggen.