Werkgroepen Inleiding Bestuursrecht
Werkgroep 1 Inleiding Bestuursrecht
Week 5, 6 zijn heel veel stof. Spreekuur donderdag van 13:30-14:30 B.120. Alke Metselaar.
Opgave 1:
a) De Wet studiefinanciering 2000, maakt onderdeel uit van het bijzondere
bestuursrecht omdat het hier gaat om een wet over een specifiek onderdeel van het
bestuursrecht. Het gaat om inhoudelijke regels voor concrete gevallen m.b.t.
studiefinanciering tussen de overheid en de burger en geen algemene regels die voor
algemene dingen gelden.
b) Er is hier spraken van het fenomeen gelede normstelling: alle niveaus van
regelgeving moeten worden bezien om een compleegt beeld te krijgen van de voor
de concrete bestuurshandeling geldende regels.
Voordelen:
- Normen moeten voortdurend en snel aangepast worden aan de omstandigheden,
en dat kan eenvoudiger bij een lagere regeling dan bij de formele wet.
- Decentralisatiebeginsel: dankzij lagere regelgeving is de besluitvomring zo dicht
mogelijk bij de burger.
- Nadere regelgeving vergt soms vergaande administratieve en technische details,
het is zinloos om daarmee het parlement te belasten.
Nadelen:
- Het is onoverzichtelijk en niet praktisch om in meerdere wetten en besluiten en
regelingen te kijken.
- Er is minder democratische legitimatie want bij bv. ministeriele regelingen is er
minder democratie dan een wet door het parlement die gekozen worden door de
bevolking.
c) Dit is van belang voor de rechter of hij deze wet mag toetsen aan de Grondwet. De
rechter mag immers volgens art. 120 GW wetten in formele zin niet toetsen aan de
Grondwet. Je kan de Wet Studiefinanciering 2000 dus niet toetsen aan de Grondwet.
d) Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Mijn studiegenoot kan niet direct
procederen tegen de bestreden wet, omdat een vereiste is dat alle nationale
rechtsmiddelen zijn uitgeput. Mijn studiegenoot zal eerst moeten proceduren tot de
hoogste instantie in Nederland en kan vervolgens nog in beroep gaan bij het EHRM.
e) - In Nederland is volgens art. 93 en 94 Gw bepaald dat bindend internationaal recht
voorrang heeft boven nationaal recht. De rechter bepaald of er sprake is van bindend
internationaal recht. Het EVRM is bindend internationaal recht en als een
Nederlandse wettelijke bepaling in strijd is hiermee zal de rechter de Nederlandse
wettelijke bepaling buiten toepassing laten verklaren.
- Een Nederlandse wettelijke bepaling die bij de rechter in strijd blijkt te zijn met
EU-recht dient buiten toepassing te worden gelaten. Dit volgt uit de uitspraken
van het HvJeG: dit Hof bepaalde dat het EU-recht, rechtstreekse werking heeft
binnen de nationale rechtsorde en voorrang heeft boven nationaal recht. Dit
bepaalde het in het Van Gend en Loos arrest, en Costa/Enel arrest.
f) Nee, de Awb kent geen bevoegdheden toe. De Awb geeft regels die gevolgd moeten
worden als de bevoegdheden worden toegepast maar kent deze dus niet toe. Zie bv.
, art. 5:40 (blz. 3130). De vraag of je een boete mag opleggen bijzonder wet. Als je
een boete hebt oplegd regels volgen uit de Awb.
Opgave 2: Belangrijke opgave!
a) 1. Dwingend recht: dit zijn regels die zonder uitzondering voor het gehele
bestuursrecht behoren te gelden (bv. art. 3:3 Awb). Afwijking is slechts in
uitzonderlijke gevallen mogelijk en dit dient dan te worden vermeld: ‘in afwijking van
de Awb’. Deze afwijking van het algemeen recht wordt zo expliciet. Alleen de formele
wetgever mag hier dan van afwijken, lagere regelgever mag nooit hiervan afwijken.
2. Regelend recht: deze regels gelden als voor de normale gevallen beste regeling.
In bijzondere gevallen kan er hiervan worden afgeweken, ook door lagere
regelgevers. Indien er van kan worden afgeweken: ‘tenzij bij wettelijk voorschrift
anders wordt bepaald’. Dit regelend recht is een ‘opt out’
3. Aanvullend recht: hiervoor is het niet mogelijk aan algemene regel te maken
maar wanneer de bijzondere wet hier niks over vermeldt dan kan men deze
restbepaling raadplegen. Hier is de Awb een soort vangnet. Dit is vaker als de lagere
wetgever iets is vergeten te bepalen, zoals een termijn.
4. Facultatief recht: dit recht geldt niet tenzij een bestuursorgaan bepaalt dat het wel
moet worden gevolgd. Deze procedure wordt vooral gevolgd bij besluiten die veel
burgers kunnen raken. Facultatief geldt ‘opt in’. Facultatief recht herken je aan het
woord: ‘indien’.
Je kan altijd uit de Awb afleiden wat voor recht het is.
b) Nee, in dit artikel staat immers dat de belanghebbende zelf de keuze mag maken of
hij zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren brengt. Dit is dwingend recht en
hier mag de lagere wetgever niet van afwijken.
c) Art. 4:1 Awb: in dit artikel staat: tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dit
betekent dat er sprake is van regelend recht en lagere regelgevers, zoals de
gemeente in dit geval, mogen afwijken van deze regel. De gemeenteraad mag dit dus
bepalen in de verordering.
d) Art. 10:3 Awb: in dit artikel staat: tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dit
betekent dat er sprake is van regelend recht en lagere regelgevers, zoals de
gemeente in dit geval, mogen afwijken van deze regel. De gemeenteraad mag dit dus
bepalen in de verordering.
e) Dit kan niet, in art. 1:2 Awb staat immers dat onder belanghebbende wordt verstaan:
degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit is dwingend recht
en hiervan kan niet worden afgeweken.Verder staat in art. 8:1 dat een
belanghebbende tegen een besluit beroep instellen kan stellen bij een
bestuursrechter, dit is dwingend recht.
f) Art. 9:13 Awb, volgens dit artikel kan deze klachtadviesprocedure zoals bedoeld in
afdeling 9.1.3 worden gevolgd indien dit bij wettelijk voorschrift bepaald is. Er is hier
sprake van facultatief recht er staat namelijk indien dit bij wettellijke voorschrift is
bepaald. In dit geval wordt het bij een gemeentelijke verordening bepaald. Er moet
expliciet staan dat deze afdeling van toepassing.
g) Volgens art. 125 Gemeentewet en art. 5:21 Awb heeft de burgemeester de
bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van deze verordening.
Volgens art. 5:32 is een bestuursorgaan dat bevoegd is om bestuursdwang toe te
passen ook bevoegd om een dwangsom toe te passen.Dit is dwingend recht en hier
kan de gemeenteraad niet van afwijken.
Werkgroep 1 Inleiding Bestuursrecht
Week 5, 6 zijn heel veel stof. Spreekuur donderdag van 13:30-14:30 B.120. Alke Metselaar.
Opgave 1:
a) De Wet studiefinanciering 2000, maakt onderdeel uit van het bijzondere
bestuursrecht omdat het hier gaat om een wet over een specifiek onderdeel van het
bestuursrecht. Het gaat om inhoudelijke regels voor concrete gevallen m.b.t.
studiefinanciering tussen de overheid en de burger en geen algemene regels die voor
algemene dingen gelden.
b) Er is hier spraken van het fenomeen gelede normstelling: alle niveaus van
regelgeving moeten worden bezien om een compleegt beeld te krijgen van de voor
de concrete bestuurshandeling geldende regels.
Voordelen:
- Normen moeten voortdurend en snel aangepast worden aan de omstandigheden,
en dat kan eenvoudiger bij een lagere regeling dan bij de formele wet.
- Decentralisatiebeginsel: dankzij lagere regelgeving is de besluitvomring zo dicht
mogelijk bij de burger.
- Nadere regelgeving vergt soms vergaande administratieve en technische details,
het is zinloos om daarmee het parlement te belasten.
Nadelen:
- Het is onoverzichtelijk en niet praktisch om in meerdere wetten en besluiten en
regelingen te kijken.
- Er is minder democratische legitimatie want bij bv. ministeriele regelingen is er
minder democratie dan een wet door het parlement die gekozen worden door de
bevolking.
c) Dit is van belang voor de rechter of hij deze wet mag toetsen aan de Grondwet. De
rechter mag immers volgens art. 120 GW wetten in formele zin niet toetsen aan de
Grondwet. Je kan de Wet Studiefinanciering 2000 dus niet toetsen aan de Grondwet.
d) Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Mijn studiegenoot kan niet direct
procederen tegen de bestreden wet, omdat een vereiste is dat alle nationale
rechtsmiddelen zijn uitgeput. Mijn studiegenoot zal eerst moeten proceduren tot de
hoogste instantie in Nederland en kan vervolgens nog in beroep gaan bij het EHRM.
e) - In Nederland is volgens art. 93 en 94 Gw bepaald dat bindend internationaal recht
voorrang heeft boven nationaal recht. De rechter bepaald of er sprake is van bindend
internationaal recht. Het EVRM is bindend internationaal recht en als een
Nederlandse wettelijke bepaling in strijd is hiermee zal de rechter de Nederlandse
wettelijke bepaling buiten toepassing laten verklaren.
- Een Nederlandse wettelijke bepaling die bij de rechter in strijd blijkt te zijn met
EU-recht dient buiten toepassing te worden gelaten. Dit volgt uit de uitspraken
van het HvJeG: dit Hof bepaalde dat het EU-recht, rechtstreekse werking heeft
binnen de nationale rechtsorde en voorrang heeft boven nationaal recht. Dit
bepaalde het in het Van Gend en Loos arrest, en Costa/Enel arrest.
f) Nee, de Awb kent geen bevoegdheden toe. De Awb geeft regels die gevolgd moeten
worden als de bevoegdheden worden toegepast maar kent deze dus niet toe. Zie bv.
, art. 5:40 (blz. 3130). De vraag of je een boete mag opleggen bijzonder wet. Als je
een boete hebt oplegd regels volgen uit de Awb.
Opgave 2: Belangrijke opgave!
a) 1. Dwingend recht: dit zijn regels die zonder uitzondering voor het gehele
bestuursrecht behoren te gelden (bv. art. 3:3 Awb). Afwijking is slechts in
uitzonderlijke gevallen mogelijk en dit dient dan te worden vermeld: ‘in afwijking van
de Awb’. Deze afwijking van het algemeen recht wordt zo expliciet. Alleen de formele
wetgever mag hier dan van afwijken, lagere regelgever mag nooit hiervan afwijken.
2. Regelend recht: deze regels gelden als voor de normale gevallen beste regeling.
In bijzondere gevallen kan er hiervan worden afgeweken, ook door lagere
regelgevers. Indien er van kan worden afgeweken: ‘tenzij bij wettelijk voorschrift
anders wordt bepaald’. Dit regelend recht is een ‘opt out’
3. Aanvullend recht: hiervoor is het niet mogelijk aan algemene regel te maken
maar wanneer de bijzondere wet hier niks over vermeldt dan kan men deze
restbepaling raadplegen. Hier is de Awb een soort vangnet. Dit is vaker als de lagere
wetgever iets is vergeten te bepalen, zoals een termijn.
4. Facultatief recht: dit recht geldt niet tenzij een bestuursorgaan bepaalt dat het wel
moet worden gevolgd. Deze procedure wordt vooral gevolgd bij besluiten die veel
burgers kunnen raken. Facultatief geldt ‘opt in’. Facultatief recht herken je aan het
woord: ‘indien’.
Je kan altijd uit de Awb afleiden wat voor recht het is.
b) Nee, in dit artikel staat immers dat de belanghebbende zelf de keuze mag maken of
hij zijn zienswijze schriftelijk of mondeling naar voren brengt. Dit is dwingend recht en
hier mag de lagere wetgever niet van afwijken.
c) Art. 4:1 Awb: in dit artikel staat: tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dit
betekent dat er sprake is van regelend recht en lagere regelgevers, zoals de
gemeente in dit geval, mogen afwijken van deze regel. De gemeenteraad mag dit dus
bepalen in de verordering.
d) Art. 10:3 Awb: in dit artikel staat: tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dit
betekent dat er sprake is van regelend recht en lagere regelgevers, zoals de
gemeente in dit geval, mogen afwijken van deze regel. De gemeenteraad mag dit dus
bepalen in de verordering.
e) Dit kan niet, in art. 1:2 Awb staat immers dat onder belanghebbende wordt verstaan:
degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Dit is dwingend recht
en hiervan kan niet worden afgeweken.Verder staat in art. 8:1 dat een
belanghebbende tegen een besluit beroep instellen kan stellen bij een
bestuursrechter, dit is dwingend recht.
f) Art. 9:13 Awb, volgens dit artikel kan deze klachtadviesprocedure zoals bedoeld in
afdeling 9.1.3 worden gevolgd indien dit bij wettelijk voorschrift bepaald is. Er is hier
sprake van facultatief recht er staat namelijk indien dit bij wettellijke voorschrift is
bepaald. In dit geval wordt het bij een gemeentelijke verordening bepaald. Er moet
expliciet staan dat deze afdeling van toepassing.
g) Volgens art. 125 Gemeentewet en art. 5:21 Awb heeft de burgemeester de
bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ter handhaving van deze verordening.
Volgens art. 5:32 is een bestuursorgaan dat bevoegd is om bestuursdwang toe te
passen ook bevoegd om een dwangsom toe te passen.Dit is dwingend recht en hier
kan de gemeenteraad niet van afwijken.