Joël Smit | 6Va
Biologie – H1 Vertering
BS 1.1 Voedingsstoffen (opdr. 9d, 9e)
Voeding
Voedingsmiddelen (alles wat je eet/drinkt) bevatten voedingsstoffen 6 (7) groepen:
Eiwitten Water (voedingsvezels)
Koolhydraten Mineralen
Vetten Vitaminen
Voedingsstoffen worden gebruikt als:
Bouwstof vorming van organische moleculen bij voortgezette assimilatie
Brandstof kunnen energie leveren voor dissimilatie (verbranding)
Reservestof
Eiwitten (proteïnen)
Eiwitten = proteïnen = ketens van aminozuren
In verteringsstelsel worden eiwitmoleculen uit voedsel gesplitst in afzonderlijke
aminozuurmoleculen worden opgenomen in bloed via bloed naar lever en vanuit
daar naar alle organen van lichaam
Bij eiwitsynthese worden aminozuren in cellen weer aan elkaar gekoppeld tot
eiwitmoleculen
Eiwitten van mensen bestaan uit 20 verschillende aminozuren:
12 hiervan kunnen in lever worden gevormd uit andere aminozuren door
overplaatsing van aminogroep (-NH2) = transaminering
Andere 8 kunnen mensen niet (voldoende) zelf maken = essentiële aminozuren
moeten in voedsel voorkomen
Functie:
Bouwstoffen cellen, weefsels, tussencelstof (bv. collageenvezels in
(kraak)beenweefsel) collageen zorgt voor stevigheid van bindweefsels
Processen reguleren in organisme transport van stoffen, celcommunicatie
(overbrengen van signalen van ene naar andere cel), chemische reacties
Bloedstolling
Immuniteit
Brandstof eiwitten omgezet in glucose glucose wordt verbrand
Dissimilatie van eiwitten ontstaat ammoniak wordt in lever omgezet in ureum
en uitgescheiden met urine
Ontstaan ook stoffen die deel uitmaken van glycolyse leveren energie na
verdere dissimilatie
Eiwitten omgezet in glucose bij overschot aan eiwitten of tekort aan glucose
Koolhydraten (sachariden)
Dierlijk voedsel bevat relatief weinig koolhydraten of sachariden
Brandstof 1g koolhydraten = 17kJ = 4 kcal
Te veel koolhydraten:
o Hormoon insuline zorgt ervoor dat deel wordt omgezet in polysacharide
glycogeen als reservestof opgeslagen in lever en spieren
o Omgezet in vet opgeslagen onder huid (in onderhuidse bindweefsel) of
rondom organen (vooral spieren, hart, nieren)
Bouwstof DNA (desoxyribose), ATP (ribose)
In celmembranen: herkenning van cel door andere cellen
Voedingsvezels = koolhydraten die niet kunnen worden verteerd door enzymen van mens
(deel afgebroken door enzymen van bacteriën in dikke darm) afkomstig uit celwanden
van plantaardige voedingsmiddelen bevorderen darmwerking
1
, Joël Smit | 6Va
Vetten (lipiden)
Veel vetmoleculen opgebouwd uit glycerolmolecuul en 3 vetzuurmoleculen =
triglyceriden
Verzadigd vetzuur alle bindingsplaatsen van C-atomen bezet door H-atomen
(dierlijke vetten)
Onverzadigd vetzuur dubbele binding (plantaardige oliën en vis)
Essentiële vetzuren moeten in voedsel voorkomen (sommige onverzadigde vetzuren)
Functie:
Brandstof 1g vet = 38kJ = 9 kcal
Te veel vetten opslaan als reservestof onder huid en rondom organen vet
onder huid heeft warmte-isolerende functie
Bouwstof membranen
Sommige vitaminen (A, D, E, K) oplosbaar in vet krijg je alleen via vet binnen
Meeste cholesterol wordt aangemaakt in lever komt voor in celmembranen en
wordt gebruikt bij productie van: hormonen, gal, vitamine D
Water
Bouwstof lichaamscellen
Oplosmiddel
Samen met opgeloste stoffen osmotische waarde bepalen van vloeistoffen in
lichaam
Transportmiddel (bv. in bloed)
Regeling lichaamstemperatuur door verdamping van water (zweet) koelt
lichaam af
Water kwijtraken door: zweet, uitgeademde lucht, urine, ontlasting
Water binnenkrijgen door: eten/drinken en dissimilatie (klein deel)
Mineralen (zouten)
Mineralen = zouten = anorganische stoffen (bv. calcium, fosfor, kalium, natrium)
Processen in lichaam goed laten verlopen
Bouwstof calcium en fosfor: stevigheid botten en tanden
Calcium: bloedstolling
Kalium en natrium: zorgen ervoor dat neuronen impulsen kunnen geleiden
Spoorelementen = mineralen waar je kleine hoeveelheden van nodig hebt vaak
bestanddelen van enzymen en hormonen
Fluor versterkt tandglazuur
Ijzer nodig voor vorming van hemoglobine (zuurstofbindend molecuul in rode
bloedcellen)
Chroom speelt rol bij werking van insuline
Schildklierhormoon bevat jodium
Vitaminen
Vitaminen = organische stoffen die nodig zijn om processen in lichaam goed te laten
verlopen: binas 82A
Vitamine B = verzamelnaam voor verschillende vitaminen = vitamine-B-complex
afzonderlijke vitaminen aangegeven met cijfers (bv. B1)
Vitamine K kan worden gemaakt door bacteriën in dikke darm bacteriën
ontvangen voedingsstoffen via gastheer, gastheer ontvangt van bacteriën
vitamine K die nodig is om bloedstolling goed te laten verlopen (beiden voordeel =
mutualisme)
Alle andere vitaminen moeten dus in voedsel aanwezig zijn
Sommige vitaminen zijn in voedsel aanwezig als provitaminen hieruit kan
lichaam zelf vitaminen vormen (bv. provitamine D + zonlicht = vitamine D in huid)
Veel vitaminen zijn bestanddelen van enzymen nodig om stofwisselingsreacties
goed te laten verlopen niet veel van nodig (enzymen worden niet verbruikt)
2
Biologie – H1 Vertering
BS 1.1 Voedingsstoffen (opdr. 9d, 9e)
Voeding
Voedingsmiddelen (alles wat je eet/drinkt) bevatten voedingsstoffen 6 (7) groepen:
Eiwitten Water (voedingsvezels)
Koolhydraten Mineralen
Vetten Vitaminen
Voedingsstoffen worden gebruikt als:
Bouwstof vorming van organische moleculen bij voortgezette assimilatie
Brandstof kunnen energie leveren voor dissimilatie (verbranding)
Reservestof
Eiwitten (proteïnen)
Eiwitten = proteïnen = ketens van aminozuren
In verteringsstelsel worden eiwitmoleculen uit voedsel gesplitst in afzonderlijke
aminozuurmoleculen worden opgenomen in bloed via bloed naar lever en vanuit
daar naar alle organen van lichaam
Bij eiwitsynthese worden aminozuren in cellen weer aan elkaar gekoppeld tot
eiwitmoleculen
Eiwitten van mensen bestaan uit 20 verschillende aminozuren:
12 hiervan kunnen in lever worden gevormd uit andere aminozuren door
overplaatsing van aminogroep (-NH2) = transaminering
Andere 8 kunnen mensen niet (voldoende) zelf maken = essentiële aminozuren
moeten in voedsel voorkomen
Functie:
Bouwstoffen cellen, weefsels, tussencelstof (bv. collageenvezels in
(kraak)beenweefsel) collageen zorgt voor stevigheid van bindweefsels
Processen reguleren in organisme transport van stoffen, celcommunicatie
(overbrengen van signalen van ene naar andere cel), chemische reacties
Bloedstolling
Immuniteit
Brandstof eiwitten omgezet in glucose glucose wordt verbrand
Dissimilatie van eiwitten ontstaat ammoniak wordt in lever omgezet in ureum
en uitgescheiden met urine
Ontstaan ook stoffen die deel uitmaken van glycolyse leveren energie na
verdere dissimilatie
Eiwitten omgezet in glucose bij overschot aan eiwitten of tekort aan glucose
Koolhydraten (sachariden)
Dierlijk voedsel bevat relatief weinig koolhydraten of sachariden
Brandstof 1g koolhydraten = 17kJ = 4 kcal
Te veel koolhydraten:
o Hormoon insuline zorgt ervoor dat deel wordt omgezet in polysacharide
glycogeen als reservestof opgeslagen in lever en spieren
o Omgezet in vet opgeslagen onder huid (in onderhuidse bindweefsel) of
rondom organen (vooral spieren, hart, nieren)
Bouwstof DNA (desoxyribose), ATP (ribose)
In celmembranen: herkenning van cel door andere cellen
Voedingsvezels = koolhydraten die niet kunnen worden verteerd door enzymen van mens
(deel afgebroken door enzymen van bacteriën in dikke darm) afkomstig uit celwanden
van plantaardige voedingsmiddelen bevorderen darmwerking
1
, Joël Smit | 6Va
Vetten (lipiden)
Veel vetmoleculen opgebouwd uit glycerolmolecuul en 3 vetzuurmoleculen =
triglyceriden
Verzadigd vetzuur alle bindingsplaatsen van C-atomen bezet door H-atomen
(dierlijke vetten)
Onverzadigd vetzuur dubbele binding (plantaardige oliën en vis)
Essentiële vetzuren moeten in voedsel voorkomen (sommige onverzadigde vetzuren)
Functie:
Brandstof 1g vet = 38kJ = 9 kcal
Te veel vetten opslaan als reservestof onder huid en rondom organen vet
onder huid heeft warmte-isolerende functie
Bouwstof membranen
Sommige vitaminen (A, D, E, K) oplosbaar in vet krijg je alleen via vet binnen
Meeste cholesterol wordt aangemaakt in lever komt voor in celmembranen en
wordt gebruikt bij productie van: hormonen, gal, vitamine D
Water
Bouwstof lichaamscellen
Oplosmiddel
Samen met opgeloste stoffen osmotische waarde bepalen van vloeistoffen in
lichaam
Transportmiddel (bv. in bloed)
Regeling lichaamstemperatuur door verdamping van water (zweet) koelt
lichaam af
Water kwijtraken door: zweet, uitgeademde lucht, urine, ontlasting
Water binnenkrijgen door: eten/drinken en dissimilatie (klein deel)
Mineralen (zouten)
Mineralen = zouten = anorganische stoffen (bv. calcium, fosfor, kalium, natrium)
Processen in lichaam goed laten verlopen
Bouwstof calcium en fosfor: stevigheid botten en tanden
Calcium: bloedstolling
Kalium en natrium: zorgen ervoor dat neuronen impulsen kunnen geleiden
Spoorelementen = mineralen waar je kleine hoeveelheden van nodig hebt vaak
bestanddelen van enzymen en hormonen
Fluor versterkt tandglazuur
Ijzer nodig voor vorming van hemoglobine (zuurstofbindend molecuul in rode
bloedcellen)
Chroom speelt rol bij werking van insuline
Schildklierhormoon bevat jodium
Vitaminen
Vitaminen = organische stoffen die nodig zijn om processen in lichaam goed te laten
verlopen: binas 82A
Vitamine B = verzamelnaam voor verschillende vitaminen = vitamine-B-complex
afzonderlijke vitaminen aangegeven met cijfers (bv. B1)
Vitamine K kan worden gemaakt door bacteriën in dikke darm bacteriën
ontvangen voedingsstoffen via gastheer, gastheer ontvangt van bacteriën
vitamine K die nodig is om bloedstolling goed te laten verlopen (beiden voordeel =
mutualisme)
Alle andere vitaminen moeten dus in voedsel aanwezig zijn
Sommige vitaminen zijn in voedsel aanwezig als provitaminen hieruit kan
lichaam zelf vitaminen vormen (bv. provitamine D + zonlicht = vitamine D in huid)
Veel vitaminen zijn bestanddelen van enzymen nodig om stofwisselingsreacties
goed te laten verlopen niet veel van nodig (enzymen worden niet verbruikt)
2