Nederlands internationaal insolventierecht
BELANGRIJKE VRAGEN:
(1) NEDERLANDSE INSOLVENTIEPROCEDURE:
Strekken de gevolgen van de Nederlandse procedure zich mede uit tot het buitenland;
hoort het buitenlandse vermogen van de debiteur tot Nederlandse faillissementsboedel?
Dus wanneer de debiteur in het buitenland nog een stuk grond of een bedrijfspand heeft.
→ Vanuit het Nederlandse rechtssysteem bezien?
→ Vanuit het betrokken buitenlandse recht bezien?
(2) BUITENLANDSE INSOLVENTIEPROCEDURE:
Strekken de gevolgen van een buitenlandse procedure zich mede uit tot Nederland: valt
het Nederlandse vermogen van de debiteur in het buitenlandse faillissement?
→ Vanuit het Nederlandse rechtssysteem bezien
→ Vanuit het betrokken buitenlandse recht bezien?
Territorialiteitsbeginsel en universaliteitsbeginsel zijn twee uitersten. De meeste
rechtssystemen zitten daar tussenin.
Universaliteitsbeginsel zegt: uitgangspunt = dat wanneer er een faillissement wordt
uitgesproken, alle vermogensbestanddelen – waar dan ook ter wereld – onder die
faillissementsboedel te vallen. De curator die is benoemd, moet kunnen beschikken over
alle vermogensbestanddelen die waar dan ook liggen. Één procedure, één curator,
afgewikkeld volgens één rechtssysteem. Waarbij uiteraard de crediteuren van all over the
world, allemaal hun vordering kunnen indienen bij die ene curator in die ene procedure.
Universaliteit.
Aan de andere kant gaat men uit van een meer processuele invalshoek. Rechtsmacht van
de rechter die faillietverklaring heeft uitgesproken, strekt eigenlijk niet verder dan de
1