Lesbrief 6: Verdienen & uitgeven
Hoofdstuk 1: Inkomen verdienen.
Omzet- inkoopwaarde → productie → BBP
● arbeid
● natuur
● kapitaal
● ondernemerschap
Dit zijn productiefactoren
→ de beloningen hiervan zijn
● loon
● pacht
● rente
● huur
● winst
Dit noem je het primair inkomen.
Koopkracht (aantal producenten
→ inkomen/prijzen
→ reëel inkomen = nominaal inkomen/CPI of PIC x 100%
Begrippen
→
Welvaart in enge zin
● Puur kijken naar de welvaart in productie, inkomen en BBP
Welvaart in ruime zin
● de welvaart bekeken in , welvaart in enge zin, groen BBP en HDI bij elkaar, lijkt op
welzijn.
Groen BBP
● het BBP als het alleen verdient wordt aan duurzame productie en er rekening wordt
gehouden met het milieu.
HDI → Human Development Index
● een index waarbij welzijn wordt gemeten in meer redenen dan alleen BBP en
welvaart.
Categoriale inkomensverdeling
● inkomen verdeeld in categorieën zoals, loon, pacht, huur, winst en rente.
Duurzame ontwikkeling
● ontwikkeling die aansluit op behoeften van nu en houd rekening met toekomstige
generaties
Formeel circuit
● iedereen die wit werkt
, Informeel circuit
● iedereen die zwart werkt
Loonquote= loon/binnenlands inkomen x 100% → LQ
TLZ: toegerekend loon zelfstandigen
Arbeidsinkomensquote= (loon + TLZ)/binnenlands inkomen x 100% → AIQ
Overige inkomensquote= 100% - AIQ → OIQ
Hoofdstuk 2: De economische kringloop
→
Het bruto binnenlands product = bruto binnenlands inkomen
Economische kringloop:
● productie leidt tot inkomen, wat weer tot productie enzovoort
Kapitaalgoederen:
● dit zijn de goederen die bedrijven kopen om mee te produceren zoals machines en
gebouwen.
Redenen om te investeren→
● Uitbreidingsinvesteringen → om te produceren en uit te breiden
● Vervanginginvesteringen → kapotte machines vervangen bijvoorbeeld
● Voorraadinvesteringen → voorraad opbouwen.
(W) → bruto binnenlands product = bruto binnenlands inkomen
(C) → consumptiegoederen
(I) → kapitaalgoederen/investeringen
----- → goederenstromen
___ → geldstromen
Conjunctuur Stromen
● het groeien en krimpen van de bestedingen en hierdoor ook de productie.
De Kringloop van de Nederlandse economie
Hoofdstuk 1: Inkomen verdienen.
Omzet- inkoopwaarde → productie → BBP
● arbeid
● natuur
● kapitaal
● ondernemerschap
Dit zijn productiefactoren
→ de beloningen hiervan zijn
● loon
● pacht
● rente
● huur
● winst
Dit noem je het primair inkomen.
Koopkracht (aantal producenten
→ inkomen/prijzen
→ reëel inkomen = nominaal inkomen/CPI of PIC x 100%
Begrippen
→
Welvaart in enge zin
● Puur kijken naar de welvaart in productie, inkomen en BBP
Welvaart in ruime zin
● de welvaart bekeken in , welvaart in enge zin, groen BBP en HDI bij elkaar, lijkt op
welzijn.
Groen BBP
● het BBP als het alleen verdient wordt aan duurzame productie en er rekening wordt
gehouden met het milieu.
HDI → Human Development Index
● een index waarbij welzijn wordt gemeten in meer redenen dan alleen BBP en
welvaart.
Categoriale inkomensverdeling
● inkomen verdeeld in categorieën zoals, loon, pacht, huur, winst en rente.
Duurzame ontwikkeling
● ontwikkeling die aansluit op behoeften van nu en houd rekening met toekomstige
generaties
Formeel circuit
● iedereen die wit werkt
, Informeel circuit
● iedereen die zwart werkt
Loonquote= loon/binnenlands inkomen x 100% → LQ
TLZ: toegerekend loon zelfstandigen
Arbeidsinkomensquote= (loon + TLZ)/binnenlands inkomen x 100% → AIQ
Overige inkomensquote= 100% - AIQ → OIQ
Hoofdstuk 2: De economische kringloop
→
Het bruto binnenlands product = bruto binnenlands inkomen
Economische kringloop:
● productie leidt tot inkomen, wat weer tot productie enzovoort
Kapitaalgoederen:
● dit zijn de goederen die bedrijven kopen om mee te produceren zoals machines en
gebouwen.
Redenen om te investeren→
● Uitbreidingsinvesteringen → om te produceren en uit te breiden
● Vervanginginvesteringen → kapotte machines vervangen bijvoorbeeld
● Voorraadinvesteringen → voorraad opbouwen.
(W) → bruto binnenlands product = bruto binnenlands inkomen
(C) → consumptiegoederen
(I) → kapitaalgoederen/investeringen
----- → goederenstromen
___ → geldstromen
Conjunctuur Stromen
● het groeien en krimpen van de bestedingen en hierdoor ook de productie.
De Kringloop van de Nederlandse economie