Toetsdoelen I-OND1
1 De student kan de verschillende ontwikkelingsdomeinen
reproduceren, rubriceren en uit elkaar houden.
1. Cognitieve ontwikkeling: denk- taalontwikkeling
2. Fysieke ontwikkeling: Lichaam, motoriek, zintuigen
3. Sociaal-Emotionele ontwikkeling: relatie met anderen
2 De student kan de visie op leren en ontwikkelen vanuit het nature-
nurture debat in eigen woorden formuleren.
Nature: biologische factoren bepalen, aangeboren. Jean-Jacques Rousseau
Nurture: rijping, omgeving vormt het kind. John Locke, Tabula Rasa
(=onbeschreven blad)
3 De student kan de verschillende stadia van de morele ontwikkeling
benoemen, zoals beschreven door Kohlberg en herkent deze in het
gedrag van kinderen.
1. Preventioneel stadium: goed of slecht, belonen of straffen Principes die
een rol spelen in dit stadium zijn: gehoorzaamheid en naïef egoïsme (er
zelf voordeel van hebben).
2. Conventioneel stadium: besef van algemene regels
3. Postconventioneel stadium: gevoel van rechtvaardigheid en eigen mening
4 De student kan de verschillende stadia van de identiteitsontwikkeling
zoals beschreven door Erikson benoemen en in volgorde plaatsen en
herkent deze in het gedrag van kinderen.
0-1: Vertrouwen versus wantrouwen : basis kind
2-3: Autonomie versus schaamte en twijfel: Kinderen ontwikkelen vaardigheden
als zindelijkheid. In deze fase wordt de basis voor het gevoel van eigenwaarde
ontwikkeld. Hier wordt de basis gelegd voor het omgaan met anderen.
3-6: Initiatief versus schuldgevoel: Kinderen moeten leren om hun gretigheid en
de eisen van de omgeving op elkaar af te stemmen.
7-12: IJver versus minderwaardigheid: erkenning opvoeder: Het kind heeft in deze
fase de mogelijkheid om veel kennis op te doen en daar creatief mee om te gaan.
Bevestiging is in deze fase belangrijk.
12-18: Identiteit versus rolverwarring: adolescentie
5 De student kan de basisbehoeften (relatie, competentie, autonomie)
benoemen en kan deze duiden in het gedrag van kinderen.
- Relatie: contact/vertrouwen hebben in andere kinderen of leerkracht, ‘ik
voel me thuis’.
- Competentie: zelfvertrouwen, ‘ik kan het’
- Autonomie: zelfstandigheid, ‘ik wil het zelf doen’
, 6 De student kan de schaalwaardes van de ervaringsgerichte dialoog
benoemen en duiden en geeft daarmee een ervaringsreconstructie
vorm.
Niveau 1: Afwijzen
Niveau 2: Over het hoofd zien, niet reageren
Niveau 3: Gaat er op in, mist de kern, eigen interpretatie
Niveau 4: Echt begrip en is duidelijk betrokken
7 De student kan sensitief en responsief gedrag bij zichzelf en anderen
noemen en herkennen.
Sensitief: gevoelig zijn voor signalen van kinderen
Responsief: meekijken door ogen van de ander
8 De student kan drie manieren van gedragsbeïnvloeding ( klassieke en
operante conditionering en modelleren) noemen.
1. Klassiek conditioneren (Pavlov):
Gedragsbeïnvloeding van reflexmatig gedrag (van nature aanwezig)
Relatie tussen ongeconditioneerde (bestaande) en geconditioneerde
(aangeleerd) stimulus
Is een vorm van onbewust emotioneel leren
De theorie van de kwijlende hond
Fase 1: fase voor de koppeling van de stimuli (vlees kwijlen)
Fase 2: Versterkingsfase (tikken + vlees kwijlen)
Fase 3: Resultaat (tikken kwijlen)
2. Operant conditioneren (Skinner):
Gedrag beïnvloeden door externe beloning (versterker)
Centraal staat het verband tussen (spontaan) gedrag en de consequenties
ervan.
De versterker vindt plaats in een bepaalde omgeving.
Skinner: invloed omgeving groot (nurture)
Experimenteren met duiven (skinnerbox)
Wet van het effect: gedrag versterken of afzwakken.
3. Modelleren (Bandura):
Voorbeeldgedrag uit de omgeving overgenomen, mede op grond van het
effect dat dit gedrag in de voorbeeldsituatie had.
Positieve versterkers: je versterkt het (on)gewenste gedrag door een
aangename prikkel (beloning) te geven, waardoor de kans op herhaling van
het (on)gewenste gedrag wordt verhoogd. Soorten versterkers:
Sociale versterker: aandacht voor elkaar
Ruilversterker: een leerling verzamelt fiches en wisselt 10 fiches in voor
een leuke taak
Activiteiten versterker: een leuke activiteit
1 De student kan de verschillende ontwikkelingsdomeinen
reproduceren, rubriceren en uit elkaar houden.
1. Cognitieve ontwikkeling: denk- taalontwikkeling
2. Fysieke ontwikkeling: Lichaam, motoriek, zintuigen
3. Sociaal-Emotionele ontwikkeling: relatie met anderen
2 De student kan de visie op leren en ontwikkelen vanuit het nature-
nurture debat in eigen woorden formuleren.
Nature: biologische factoren bepalen, aangeboren. Jean-Jacques Rousseau
Nurture: rijping, omgeving vormt het kind. John Locke, Tabula Rasa
(=onbeschreven blad)
3 De student kan de verschillende stadia van de morele ontwikkeling
benoemen, zoals beschreven door Kohlberg en herkent deze in het
gedrag van kinderen.
1. Preventioneel stadium: goed of slecht, belonen of straffen Principes die
een rol spelen in dit stadium zijn: gehoorzaamheid en naïef egoïsme (er
zelf voordeel van hebben).
2. Conventioneel stadium: besef van algemene regels
3. Postconventioneel stadium: gevoel van rechtvaardigheid en eigen mening
4 De student kan de verschillende stadia van de identiteitsontwikkeling
zoals beschreven door Erikson benoemen en in volgorde plaatsen en
herkent deze in het gedrag van kinderen.
0-1: Vertrouwen versus wantrouwen : basis kind
2-3: Autonomie versus schaamte en twijfel: Kinderen ontwikkelen vaardigheden
als zindelijkheid. In deze fase wordt de basis voor het gevoel van eigenwaarde
ontwikkeld. Hier wordt de basis gelegd voor het omgaan met anderen.
3-6: Initiatief versus schuldgevoel: Kinderen moeten leren om hun gretigheid en
de eisen van de omgeving op elkaar af te stemmen.
7-12: IJver versus minderwaardigheid: erkenning opvoeder: Het kind heeft in deze
fase de mogelijkheid om veel kennis op te doen en daar creatief mee om te gaan.
Bevestiging is in deze fase belangrijk.
12-18: Identiteit versus rolverwarring: adolescentie
5 De student kan de basisbehoeften (relatie, competentie, autonomie)
benoemen en kan deze duiden in het gedrag van kinderen.
- Relatie: contact/vertrouwen hebben in andere kinderen of leerkracht, ‘ik
voel me thuis’.
- Competentie: zelfvertrouwen, ‘ik kan het’
- Autonomie: zelfstandigheid, ‘ik wil het zelf doen’
, 6 De student kan de schaalwaardes van de ervaringsgerichte dialoog
benoemen en duiden en geeft daarmee een ervaringsreconstructie
vorm.
Niveau 1: Afwijzen
Niveau 2: Over het hoofd zien, niet reageren
Niveau 3: Gaat er op in, mist de kern, eigen interpretatie
Niveau 4: Echt begrip en is duidelijk betrokken
7 De student kan sensitief en responsief gedrag bij zichzelf en anderen
noemen en herkennen.
Sensitief: gevoelig zijn voor signalen van kinderen
Responsief: meekijken door ogen van de ander
8 De student kan drie manieren van gedragsbeïnvloeding ( klassieke en
operante conditionering en modelleren) noemen.
1. Klassiek conditioneren (Pavlov):
Gedragsbeïnvloeding van reflexmatig gedrag (van nature aanwezig)
Relatie tussen ongeconditioneerde (bestaande) en geconditioneerde
(aangeleerd) stimulus
Is een vorm van onbewust emotioneel leren
De theorie van de kwijlende hond
Fase 1: fase voor de koppeling van de stimuli (vlees kwijlen)
Fase 2: Versterkingsfase (tikken + vlees kwijlen)
Fase 3: Resultaat (tikken kwijlen)
2. Operant conditioneren (Skinner):
Gedrag beïnvloeden door externe beloning (versterker)
Centraal staat het verband tussen (spontaan) gedrag en de consequenties
ervan.
De versterker vindt plaats in een bepaalde omgeving.
Skinner: invloed omgeving groot (nurture)
Experimenteren met duiven (skinnerbox)
Wet van het effect: gedrag versterken of afzwakken.
3. Modelleren (Bandura):
Voorbeeldgedrag uit de omgeving overgenomen, mede op grond van het
effect dat dit gedrag in de voorbeeldsituatie had.
Positieve versterkers: je versterkt het (on)gewenste gedrag door een
aangename prikkel (beloning) te geven, waardoor de kans op herhaling van
het (on)gewenste gedrag wordt verhoogd. Soorten versterkers:
Sociale versterker: aandacht voor elkaar
Ruilversterker: een leerling verzamelt fiches en wisselt 10 fiches in voor
een leuke taak
Activiteiten versterker: een leuke activiteit