Geschiedenis periode
1
1.1 De opkomst van
Een agrarisch-
stedelijke burgerij
urbane samenleving
In de periode 1050 – 1300 veranderde de samenleving in de Nederlanden ingrijpend. Het huidige
Nederland en een deel van België lagen toen in het Heilige Roomse Rijk (ontstaan in de 10 e eeuw).
Dit werd op feodale wijze bestuurd, via een netwerk van leenmannen, met de keizer van het Heilige
Roomse Rijk als hoogste leenheer. Hij leende stukken land uit aan zijn leenmannen: graven of
hertogen die deze gebieden bestuurden voor hem. Burgers hadden met name te maken met deze
leenmannen die zorgde voor bescherming: in ruil daarvoor verleenden de bewoners diensten aan
deze leenman.
Nederland was toen dunbevolkt en nauwelijks verstedelijkt. Bestond voornamelijk uit veengebieden,
moerassen en bossen en was daardoor nauwelijks geschikt voor landbouw. De gebieden waren
grotendeels zelfvoorzienend, gebaseerd op ruilhandel of wederzijdse diensten.
Vanaf de 11e eeuw verandering. Landbouw werd productiever door drie dingen:
1. Mensen begonnen steeds meer land te bebouwen. Bossen werden gekapt en moerassen en
venen werden drooggelegd. meer ruimte voor de aanleg van akkers.
2. Boeren bedachten een andere manier van landbouw bedrijven: het drieslagstelsel. Eerst een
jaar bebouwd met zomergranen en in het tweede jaar met wintergranen. Derde jaar lag het
land braak voor herstel van de bodem. leverde meer graan op dan het oude
tweeslagstelsel (grond om het jaar braak).
3. Nieuwe technieken om grond te bewerken (bijv. betere ploeg). Ossen vervangen door
paarden, die sterker en deze ploegen beter konden trekken.
Bevolkingsgroei werd mogelijk. Niet iedereen hoefde nog op het land te werken en konden gaan
specialiseren in de vaardigheden van werktuigen, kleding of siervoorwerpen, die ze ruilden tegen
voedsel. handel werd herleefd.
Toename in verstedelijking. Handel concentreerde zich op bepaalde plekken (bijv. kruispunten van
wegen of rivieren) waar rijke bestuurders, ambachtslieden en boeren elkaar ontmoetten. Steeds
vaker gingen ambachtslieden en handelaren op zo’n plek wonen. Zo ontstonden geleidelijk nieuwe
steden of kwamen oude steden tot bloei.
Behoefte aan geld als ruilmiddel nam toe. Er kwam een monetaire economie tot ontwikkeling en
er ontstond een agrarische samenleving.
Het succes van steden
De opkomst van steden zorgde voor politieke veranderingen. Om economische en politieke belangen
te beschermen, probeerden stedelingen stadsrechten te krijgen van de lokale vorst. Een stad met
stadsrechten vormde een aparte, tamelijk zelfstandige eenheid binnen het gebied van een feodale
heer. Stedelingen kregen bijv. recht op zelfbestuur, mochten zelf hun rechtspraak regelen, een
verdedigingsmuur bouwen. Vorsten hadden ook het voordeel dat in ruil hiervoor zij belastingen en
militaire steun van steden kregen.
1
1.1 De opkomst van
Een agrarisch-
stedelijke burgerij
urbane samenleving
In de periode 1050 – 1300 veranderde de samenleving in de Nederlanden ingrijpend. Het huidige
Nederland en een deel van België lagen toen in het Heilige Roomse Rijk (ontstaan in de 10 e eeuw).
Dit werd op feodale wijze bestuurd, via een netwerk van leenmannen, met de keizer van het Heilige
Roomse Rijk als hoogste leenheer. Hij leende stukken land uit aan zijn leenmannen: graven of
hertogen die deze gebieden bestuurden voor hem. Burgers hadden met name te maken met deze
leenmannen die zorgde voor bescherming: in ruil daarvoor verleenden de bewoners diensten aan
deze leenman.
Nederland was toen dunbevolkt en nauwelijks verstedelijkt. Bestond voornamelijk uit veengebieden,
moerassen en bossen en was daardoor nauwelijks geschikt voor landbouw. De gebieden waren
grotendeels zelfvoorzienend, gebaseerd op ruilhandel of wederzijdse diensten.
Vanaf de 11e eeuw verandering. Landbouw werd productiever door drie dingen:
1. Mensen begonnen steeds meer land te bebouwen. Bossen werden gekapt en moerassen en
venen werden drooggelegd. meer ruimte voor de aanleg van akkers.
2. Boeren bedachten een andere manier van landbouw bedrijven: het drieslagstelsel. Eerst een
jaar bebouwd met zomergranen en in het tweede jaar met wintergranen. Derde jaar lag het
land braak voor herstel van de bodem. leverde meer graan op dan het oude
tweeslagstelsel (grond om het jaar braak).
3. Nieuwe technieken om grond te bewerken (bijv. betere ploeg). Ossen vervangen door
paarden, die sterker en deze ploegen beter konden trekken.
Bevolkingsgroei werd mogelijk. Niet iedereen hoefde nog op het land te werken en konden gaan
specialiseren in de vaardigheden van werktuigen, kleding of siervoorwerpen, die ze ruilden tegen
voedsel. handel werd herleefd.
Toename in verstedelijking. Handel concentreerde zich op bepaalde plekken (bijv. kruispunten van
wegen of rivieren) waar rijke bestuurders, ambachtslieden en boeren elkaar ontmoetten. Steeds
vaker gingen ambachtslieden en handelaren op zo’n plek wonen. Zo ontstonden geleidelijk nieuwe
steden of kwamen oude steden tot bloei.
Behoefte aan geld als ruilmiddel nam toe. Er kwam een monetaire economie tot ontwikkeling en
er ontstond een agrarische samenleving.
Het succes van steden
De opkomst van steden zorgde voor politieke veranderingen. Om economische en politieke belangen
te beschermen, probeerden stedelingen stadsrechten te krijgen van de lokale vorst. Een stad met
stadsrechten vormde een aparte, tamelijk zelfstandige eenheid binnen het gebied van een feodale
heer. Stedelingen kregen bijv. recht op zelfbestuur, mochten zelf hun rechtspraak regelen, een
verdedigingsmuur bouwen. Vorsten hadden ook het voordeel dat in ruil hiervoor zij belastingen en
militaire steun van steden kregen.