4 vwo, hoofdstuk 2
Samenvatting
2.1 Lading en stroom
Er bestaan twee soorten lading: positieve en negatieve lading. De hoeveelheid lading druk je uit in coulomb.
Twee ladingen van dezelfde soort stoten elkaar af en twee tegengestelde ladingen trekken elkaar aan. Een
elektrisch neutraal voorwerp bevat evenveel positieve als negatieve lading. Een atoom heeft een positief
geladen kern. Rond die kern bewegen precies zoveel elektronen, dat het atoom elektrisch neutraal is. Een ion
is een atoom dat een of meer elektronen te weinig of te veel heeft. Influentie is het verschijnsel dat een
geladen voorwerp verschuiving van lading in een neutraal voorwerp veroorzaakt. Hierdoor ontstaat er
aantrekkingskracht tussen die twee voorwerpen.
elektron: -e=−1,60 ∙ 10−19 C (Binas tabel 7A)
Geleiders zijn stoffen waar lading gemakkelijk doorheen kan stromen. Een metaal bestaat uit een rooster van
positieve metaalionen met daartussen vrije elektronen, die kriskras door het rooster bewegen. Isolatoren zijn
stoffen waar de lading vast zit en waar de stroom dus niet of zeer moeilijk doorheen gaat. Een elektrische
stroom bestaat uit geladen deeltjes, die zich verplaatsen. De afgesproken richting van de elektrische stroom in
een metaal is tegengesteld aan de elektronenstroom. De stroomsterkte I is de hoeveelheid lading die per
seconde door een geleider stroomt. Een stroommeter of ampèremeter sluit je in serie aan met een
component.
Q
I=
t
2.1 Spanning
Gelijkspanningsbronnen hebben een plus- en een minpool. Bij wisselspanningsbronnen wisselen plus- en
minpool voortdurend. Een spanningsbron houdt de elektrische stroom in stand en levert zo elektrische energie
aan een apparaat. Het apparaat zet deze elektrische energie vervolgens om in andere energiesoorten. De
spanning U (in volt) van de bron geeft aan hoeveel joule elektrische energie de bron meegeeft aan 1 coulomb
lading. Een spanningsmeter of voltmeter sluit je parallel aan op een component. Het aantal ampère-uren (Ah)
geeft aan hoe lang een accu of batterij in staat is een bepaalde stroomsterkte te leveren. In serie schakelen van
batterijen geeft een hogere spanning.
ΔE
U=
Q
2.3 weerstand
Als je de spanning over een geleider groter maakt, neemt de stroomsterkte door die geleider toe. De
evenredigheidsconstante G is de geleidbaarheid. De geleidbaarheid van een component is een maat voor het
gemak waarmee de lading door die component kan stromen en dus het omgekeerde van de weerstand.
1 1
G= of R=
R G
Hoe groter de geleidbaarheid G of hoe kleiner de weerstand R, hoe groter de steilheid van de (I,U)-grafiek.
De weerstand van een draad hangt af van de lengte, van de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de draad
en van de soortelijke weerstand van het materiaal.
Samenvatting
2.1 Lading en stroom
Er bestaan twee soorten lading: positieve en negatieve lading. De hoeveelheid lading druk je uit in coulomb.
Twee ladingen van dezelfde soort stoten elkaar af en twee tegengestelde ladingen trekken elkaar aan. Een
elektrisch neutraal voorwerp bevat evenveel positieve als negatieve lading. Een atoom heeft een positief
geladen kern. Rond die kern bewegen precies zoveel elektronen, dat het atoom elektrisch neutraal is. Een ion
is een atoom dat een of meer elektronen te weinig of te veel heeft. Influentie is het verschijnsel dat een
geladen voorwerp verschuiving van lading in een neutraal voorwerp veroorzaakt. Hierdoor ontstaat er
aantrekkingskracht tussen die twee voorwerpen.
elektron: -e=−1,60 ∙ 10−19 C (Binas tabel 7A)
Geleiders zijn stoffen waar lading gemakkelijk doorheen kan stromen. Een metaal bestaat uit een rooster van
positieve metaalionen met daartussen vrije elektronen, die kriskras door het rooster bewegen. Isolatoren zijn
stoffen waar de lading vast zit en waar de stroom dus niet of zeer moeilijk doorheen gaat. Een elektrische
stroom bestaat uit geladen deeltjes, die zich verplaatsen. De afgesproken richting van de elektrische stroom in
een metaal is tegengesteld aan de elektronenstroom. De stroomsterkte I is de hoeveelheid lading die per
seconde door een geleider stroomt. Een stroommeter of ampèremeter sluit je in serie aan met een
component.
Q
I=
t
2.1 Spanning
Gelijkspanningsbronnen hebben een plus- en een minpool. Bij wisselspanningsbronnen wisselen plus- en
minpool voortdurend. Een spanningsbron houdt de elektrische stroom in stand en levert zo elektrische energie
aan een apparaat. Het apparaat zet deze elektrische energie vervolgens om in andere energiesoorten. De
spanning U (in volt) van de bron geeft aan hoeveel joule elektrische energie de bron meegeeft aan 1 coulomb
lading. Een spanningsmeter of voltmeter sluit je parallel aan op een component. Het aantal ampère-uren (Ah)
geeft aan hoe lang een accu of batterij in staat is een bepaalde stroomsterkte te leveren. In serie schakelen van
batterijen geeft een hogere spanning.
ΔE
U=
Q
2.3 weerstand
Als je de spanning over een geleider groter maakt, neemt de stroomsterkte door die geleider toe. De
evenredigheidsconstante G is de geleidbaarheid. De geleidbaarheid van een component is een maat voor het
gemak waarmee de lading door die component kan stromen en dus het omgekeerde van de weerstand.
1 1
G= of R=
R G
Hoe groter de geleidbaarheid G of hoe kleiner de weerstand R, hoe groter de steilheid van de (I,U)-grafiek.
De weerstand van een draad hangt af van de lengte, van de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de draad
en van de soortelijke weerstand van het materiaal.