• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 2 out of 10 pages
Summary

Samenvatting Pincode Economie Katern 1 4/5 HAVO

Document preview thumbnail
Preview 2 out of 10 pages

Pincode Economie Katern 1 4/5 HAVO

Content preview

Katern 1 Schaarste en Ruil – Hoofdstuk 1
Par. 1.1 – Wat is schaars?
Schaarste: ontstaat doordat je niet genoeg middelen hebt om in al je behoeften te
voorzien. De middelen die je hebt om in je behoeften te voorzien, zijn tijd en geld.
Economie: schaarste is een centraal begrip in de economie. Economie is een wetenschap
die zich bezighoudt met de manier waarop mensen in de samenleving omgaan met de
schaarse middelen. Letterlijk: het beheren van de huishouding.


De manier om om te gaan met de schaarse middelen is het maken van keuzes. De
prioriteiten die iemand stelt, hangen af van zijn verplichtingen en zijn behoeften:
1) Basisbehoeften of primaire behoeften: dak boven je hoofd, voedsel, kleding
2) Secundaire behoeften: die zijn pas van belang als de primaire behoeften zijn
vervuld. Hierbij kun je onderscheid maken in:
o Normale behoeften: behoeften die net uitsteken boven het
bestaansminimum: sporten, in de buurt van school wonen.
o Luxe behoeften: behoeften die ver uitsteken boven het
bestaansminimum: merkkleding, sportwagen


Mensen die goederen kopen om hun luxe behoeften te vervullen, willen met die goederen
laten zien wat ze bereikt hebben. Je noemt deze goederen daarom statusgoederen. Het
is heel verschillend van tijd of iets een basis, normaal of luxebehoefte is, bijvoorbeeld:
vroeger was een tv een luxe, en nu is het eigenlijk heel normaal.
Als de middelen geld en tijd beperkt zijn, moet je beslissen over de manier waarop je de
middelen aanwend, daardoor alternatief aanwendbaar. Omdat uitgaven van een gezin
vaak voor langere tijd vastliggen, moet een gezin bepalen over welk budget beschikt kan
worden. De hoeveelheid geld waarover je in een bepaalde periode kunt beschikken, is je
budget. In een begroting kan worden aangegeven hoe je het budget gaat besteden.
Productiefactoren:
1) Kapitaal: hulpmiddelen waarmee de productie sneller kan verlopen,
kapitaalgoederen: bijv. ovens in een bakkerij.
2) Arbeid: de inspanning van mensen, menselijk kapitaal. Bakkerij: bakkers
3) Natuur: levert de grond, natuurlijke grondstoffen en energie. Brood: gist, bloem
en zout
4) Ondernemerschap: initiatief om bovenstaande productiefactoren met elkaar te
combineren.


Investeren: geld uitgeven aan kapitaalgoederen of grond met het doel hier een aantal
jaren geld mee te verdienen.

, Par. 1.2 – Besteding van je budget
Om inzicht te krijgen in de spanning tussen je behoeften en budget, maak je een
begroting. Zijn je verwachte uitgaven hoger dan je verwachte inkomen, dan heb je een
tekort.  budgettair probleem: je budget is niet groot genoeg om alle verwachte
uitgaven te dekken. Twee oplossingen: de uitgaven verlagen of de inkomsten verhogen.
Het verlagen van uitgaven noem je bezuinigen. Onderscheidt uitgaven in:
1) Dagelijkse uitgaven: eten, drinken, huishoudelijke artikelen en persoonlijke
verzorging
2) Vaste uitgaven: uitgaven die iedere periode terugkomen, zoals gas, elektra,
woonlasten, abonnementen en verzekeringen
3) Incidentele uitgaven: uitgaven die af en toe voorkomen, aanschaf kleding,
huishoudelijke apparaten, vakanties.


Bij het besteden van je tijd sta je soms voor keuzes. Ga je werken of uit? Je offert het
ene alternatief op voor het andere. Opofferingskosten: alle middelen die opgeofferd
moeten worden om iets te krijgen.
Met een begroting krijg je inzicht in de spanning
tussen behoeften en financiële middelen. Andere manier:
budgetlijn: geeft grenzen aan je budget weer. De
budgetset is de budgetlijn + het hele gebied eronder.
Budgetlijn kan verschuiven.




Par. 1.3 – Het meten van je koopkracht
Prijzen veranderen regelmatig. Om die veranderingen te kunnen vergelijken, gebruik je
indexcijfers: is een getal dat aangeeft hoeveel een bepaalde grootheid is een periode is
verandert ten opzichte van een afgesproken periode (basisjaar: geef je aan met 100).


Waarde van een grootheid in een bepaalde periode
Indexcijfer: --------------------------------------------- x 100
Waarde in het basisjaar



Koopkracht: de hoeveelheid goederen die je met je inkomen kunt kopen. Het stijgen van
de prijzen van goederen noem je inflatie: mensen kopen producten sneller, want als de
prijzen stijgen dan is een product dus duurder.
Het dalen van de prijzen van goederen noem je deflatie: mensen kopen producten
minder snel, want je wilt natuurlijk zo min mogelijk betalen voor een product.
Nominaal inkomen: het inkomen dat je in euro’s verdient.
Reëel inkomen: geeft aan hoeveel goederen je kunt kopen met je nominale inkomen. Is
hetzelfde als koopkracht.

Document information

Level
School year
4
Uploaded on
September 29, 2022
Number of pages
10
Written in
2021/2022
Type
Summary
$5.18

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
9
Followers
5
Items
26
Last sold
1 year ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions