• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 36 pages
Class notes

Ontwikkeling van Persoonlijke Relaties - uitgebreide samenvatting van alle HC's (UVT jaar 2)

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 36 pages

Uitgebreide samenvatting van alle hoorcolleges van het vak Ontwikkeling van Persoonlijke Relaties. Alle kernbegrippen en theorieën duidelijk uitgelegd en goed zichtbaar.

Content preview

ONTWIKKELING VAN PERSOONLIJKE RELATIES


HC1 26-10 - Vroege sociale ontwikkeling

Het begin van sociale relaties:

Klassiek: baby’s niet in staat tot sociale interactie (Freud). Dat komt pas later. Het
belangrijkste was de relatie met de moeder, zij moet een veilige plek creëren. Ze
ontvangen alleen sociale input.

 Weerlegging: filmpje over baby’s die de ‘goede’ knuffel pakken  onderscheid
tussen goed en slecht, dus sociaal wezen. Zelfs al vanaf 3 maanden oud.

Modern: baby’s zijn gebouwd om aandacht te schenken, en niet alleen aan de
ouders. Het hele sociale systeem beïnvloedt het kind. Vroege relaties met peers zijn
belangrijk voor ontwikkeling.

- Scrambled faces paradigm: (plaatje) bewegen plankje met gezicht achtig ding
boven pasgeboren baby. Ogen en hoofd bewegen voor meeste aandacht, is
voor plank met ‘echt’ gezicht. Dit gebeurt niet meer bij oudere kinderen en
tijdens het rechtop zitten.



Dyadische peer relaties – een op een relaties

Contingente reacties: reacties die voortbouwen op wat een ander heeft gedaan (Va.
6 maanden). Ze doen elkaar na.

Prosociaal gedrag: vrijwillige acties die bedoeld zijn om een ander individu of een
groep te helpen of ten goede te komen.

- Hoe reageren we op angst van een ander? Bijv. baby’s in vliegtuig gaan
samen huilen als reactie op elkaar. Dit is al vanaf 34 uur. Later vanaf 8
maanden: kijken, affect, fysieke reactie, eigen angst. Vanaf 2 jaar beginnen
hierin individuele verschillen.
- Kinderen met autisme laten dit minder / niet zien. Zij reageren niet op de
angst / pijn etc. van anderen. Problemen met joint attention.

Delen:

Affiliatief delen (delen om samen te gaan spelen) begint bij kinderen van 1 jaar. Rond
18 mnd neemt delen toe. Zodra ze het begrip van eigenaarschap meer ontwikkelen,
gaan ze ook meer delen. Vanaf 24 maanden delen ze onderling en spontaan als
onderdeel van samen spelen. Kinderen met meer gevoeligheid voor angst delen ook
meer. Maar niet delen komt ook vaak voor, er zijn veel individuele verschillen.


1

,Delen heeft te maken met theory of mind: je verplaatsen in andermans mental
states. Kinderen die hier verder in gevorderd zijn, zijn ook meer in staat tot delen.



Samenwerken:

1-jarige kan al samenwerken. Maar vanaf 2 jaar complexere samenwerking
(voorbeeld samen trekken aan hendel om pop de laten bewegen). Kinderen die
verder zijn in taalontwikkeling kunnen natuurlijk ook beter samenwerken.

Samenwerking vs competitie:

Meisjes kiezen vaker voor samenwerken, jongens voor competitie.



Conflict:

Conflict is functioneel! Caplan observeert kinderen en competitie (veel vs weinig
speelgoed).

Oplossen dmv fysieke kracht vanaf 1 jaar, ook met woorden vanaf 2 jaar. Hard slaan
komt weinig voor en ze vermijden conflict het liefst. Maar reciprociteit speelt een rol.
Geslachtsverschillen beginnen rond 3 jaar. Meisjes worden dan minder fysiek. Bij
oudere kinderen komt er nog steeds conflict voor maar over andere onderwerpen
dan bij jongere kinderen.



Onderliggende vaardigheden:

Er zijn veel individuele verschillen hierin! Als een kind later dan anderen ergens mee
begint is dat niet per se fout. Het sociale systeem is hierin erg belangrijk.

Gedeelde aandacht: joint attention  vermogen om aandacht te coördineren met
een ander persoon. Begint rond 6 mnd. Ze gaan dan ook wijzen of gebaren naar iets
wat ze willen. Gedeelde aandacht is een van de basisprincipes van theory of mind
ontwikkeling.

Emotieregulatie: vaardigheid om eigen emoties te reguleren (vooral negatieve). Ze
laten hierin veel verschil zien tussen volwassenen of peer situaties. Bij ouders zijn de
emoties sterker dan bij peer situaties. Het is een ‘veilige haven’ om thuis te oefenen,
dat is daar ook voor nodig.

Inhibitie controle: bij bijv. dieren, die benaderd worden als een object. Kinderen zijn
geneigd om aan de staart te trekken, dit kunnen onderdrukken is inhibitiecontrole.
Ontwikkeling van persoonlijke ruimte is hierin belangrijk. Ook bijv. inhibitie van de



2

,behoefte om dingen van anderen af te pakken. Niet gelijk ingeven aan iedere
behoefte. Te veel inhibitie voorspelt verlegenheid of sociale angst op latere leeftijd.

Imitatie: nodig voor harmonieus spel met peers. Het is een tool voor het aanleren van
sociale vaardigheden. Belangrijk voor bonding (ook op latere leeftijd bij
volwassenen).

Causaal begrip: begrip dat de ander een sociale agent is met intenties, die positief of
negatief op je kan reageren. Begrip dat iemand anders een persoon is die op je kan
reageren, en dat jouw acties de ander kunnen beïnvloeden. Ook het begrip dat
andere mensen dingen per ongeluk kunnen doen. Ontwikkelt vanaf een half jaar.

Taal: beter verbaal vermogen gerelateerd aan hogere prosocialiteit en lagere
agressie (sommige zeggen ook meer). Gerelateerd aan ToM ontwikkeling.
Achterstand in taal hebben ook achterstand in peer relaties  worden ook vaker
gepest (denk aan stotteren). Pretend-play werkt bevorderend in het maken van
vriendschappen.

HC2 – 28 – 10 SOCIALE NETWERKEN GEDURENDE DE LEVENSLOOP

1. Grootte van het sociale netwerk

Sociaal netwerk: de mensen met wie iemand direct contact heeft. Kenmerken: 1. Er
is een sociale relatie. 2. Er is herhaalde sociale interactie. 3. Er is een mentale
representatie van de relatie (je erkent de ander als sociale relatie). 4. De ander is
belangrijk vanwege bepaalde hulpbronnen (functionele uitwisseling).

Types sociale netwerken:
Globaal netwerk: omvat alle sociale relaties.
Persoonlijke netwerk: support netwerk (nabije contacten, familie en vrienden).
Vriendschapsnetwerk
Familie netwerk: nucleair en extended
Werk-netwerk

Ties: banden
Sterkte verschilt in hoeveel tijd je met elkaar doorbrengt, emotionele intensiteit,
intimiteit en reciprociteit.
Granovetter: onderzoek naar banden, speciaal zwakke banden: Hoe belangrijk zijn
absent en weak ties voor mensen  belangrijker dan je denkt, significante invloed op
leven.
- Strong ties: familie, vrienden, persoonlijk netwerk
- Weak ties: kennissen
- Absent ties: toevallige ontmoetingen




3

, Sociaal emotionele selectiviteitstheorie: wat we belangrijk vinden in ons leven om
na te streven, hoe we gebruik maken van sociaal netwerk om ons heen. Doelen”
- Kennisdoelen: mindset van exploratie, zo breed mogelijk gebruikmaken van je
netwerk en het vergroten. Horizon verbreden, etc… Vooral jongere mensen
hebben dit doel. Kwantiteit.
- Emotieregulatie doelen: focus op diepere banden en betekenis, leven in het
moment, investeren in zekere dingen. Verdiepen van relaties, genieten van
het leven, weten wat belangrijk is. Kwaliteit. Vooral oudere mensen hebben dit
doel.

Sociale konvooitheorie: netwerk van anderen die met je ‘meelopen’ in het leven.
Soms lopen ze naast je, soms laat je ze achter, en sommige sluiten ergens aan.
Mensen kiezen zelf wie ze daar bij willen of niet. Wijzigingen in het sociale contact
zijn afhankelijk van levensgebeurtenissen:
- Normatieve levensgebeurtenissen: basisschool - middelbare school, gaan
werken, partner krijgen, kinderen krijgen, met pensioen gaan, partner
verliezen.
Puberteit: behoefte aan autonomie, minder met ouders meer met peers.
Toename globale netwerk, vriendschapsnetwerk, en afname familienetwerk.
(verwachtingen, geen feiten).
Trouwen: groei globale netwerken, mogelijke groei vriendschapsnetwerk.
Etc.
- Non-normatieve levensgebeurtenissen: bijv. loterij winnen, kind of partner
verliezen, iets heftigs meemaken.
Dood familielid: tijdelijke afname globaal netwerk, tijdelijke terugtrekking.
Scheiden: afname globale netwerk, toename intiem peer contact
Verhuizen: afname globaal netwerk (door minder gezamenlijke activiteiten).

Meta analyse:
1. Hoe groot is het gemiddelde netwerk voor elke leeftijdsgroep?
- Globaal netwerk: niet lineair, neemt toe bij leeftijd rond de 30 en neemt daarna
af.
- Persoonlijk:
- Familie:
- Vriendschap: lineaire afname, ongeveer 1 persoon per decennium.
2. Verandering in netwerken:
- Voor jongeren neemt netwerk toe, bij ouderen neemt netwerk af.




4

Document information

Study
Uploaded on
September 12, 2022
Number of pages
36
Written in
2021/2022
Type
Class notes
Professor(s)
Onbekend
Contains
All classes
$9.25

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
3
Followers
3
Items
8
Last sold
3 year ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions