Samenvatting OIMA
College 3
Hoorcollege
- Onderzoeksstrategie: Samenhang van onderdelen en besluiten die gericht zijn op het
beantwoorden van een onderzoeksvraag. Hierbij moeten beslissingen worden genomen over
allerlei aspecten:
o Over wie gaat het onderzoek?
o Bij wie moet ik data verzamelen?
o Op welke manier moet ik data verzamelen?
o Op welke manier moet ik het analyseren?
- Bereiken van onderzoeksdoel: Welke bijdrage ga ik leveren met mijn onderzoek en welke kennis
heb ik daarvoor nodig.
- Praktijkgericht onderzoek: Als onderzoeker verander je de praktijksituatie niet. Dat laat je aan
anderen over. Je bekijkt alleen hoe de praktijksituatie veranderd moet worden.
- Onderzoeksvragen: Verschillende momenten van tijd:
o Statisch: Op één moment van tijd.
o (Comparatief statisch: Vergelijken van twee momenten van tijd.)
o Dynamisch: Vergelijken van verschillende momenten in tijd.
- Onderzoeksvragen: Soorten vragen:
o Beschrijvend: Vraag die op dat moment het fenomeen in kaart brengt. Je wilt weten hoe
het eruit ziet.
Bijvoorbeeld: Wat is het percentage Nederlanders dat vertrouwen heeft in landelijke
politici? Deze vraag is ook statisch, omdat het over één moment van tijd gaat.
o Verklarend: Zoeken naar oorzaken.
o Toetsend: Er zit een veronderstelling in de vraag.
, Bijvoorbeeld: Is het percentage ouderen dat vertrouwen heeft in landelijke politici
groter dan jongeren?
- Soorten vragen: Welke tijd?
o Verleden
o Heden
o Toekomst
- Waarnemingseenheid: Eenheden waarvan de informatie verzameld wordt. Dit kunnen mensen
zijn, maar dit hoeft niet altijd.
- Onderzoekseenheid: Groep waarover de uitspraak wordt gedaan. Vaak is dit hetzelfde als de
onderzoekseenheid, maar niet altijd.
Survey
- Survey: Vaak op één moment. Methode van waarnemen zijn vaak vragenlijsten.
- Relaties: Met een survey kan je over het algemeen alleen een fenomeen beschrijven en een
patroon ontdekken. Een causale relatie kun je vaak niet onderzoeken, omdat het survey op één
moment wordt afgenomen.
- Analyses bij survey zijn kwantitatief/statistisch. Open vragen zijn vaak bedoeld om te veranderen
in categorieën, dus ook die zijn kwantitatief.
- Validiteit:
o Interne validiteit: Meten wat ik wil meten. Zegt het onderzoek wel iets over datgene waar
ik onderzoek naar doe.
o Externe validiteit: Kan ik goed mijn resultaten vertalen naar de algemene populatie.
- Survey scoort over het algemeen wat minder op interne validiteit. Er worden namelijk vaak al
antwoordcategorieën gegeven. Daarom heeft een open vraag een hogere interne validiteit dan
meerkeuzevragen.
- Steekproeven:
o A-select: Iedereen heeft een gelijke kans om in de steekproef te komen. Daar heb je een
steekproefkader voor nodig, bijvoorbeeld een bevolkingsregister. Hier kan heel gemakkelijk
een a-selecte steekproef uit worden genomen.
o Niet a-select: Soms is de populatie van die aard dat er geen steekproefkader is. Bijv. Albert
Heijn. Je kunt niet alleen klanten met een bonuskaart onderzoeken. Als je dan voor een
winkel gaat staan om mensen te ondervragen heb je een niet a-selecte steekproef. Ook
internetpanels zijn niet a-select, omdat men zich moet registreren om mee te doen.
Experiment
College 3
Hoorcollege
- Onderzoeksstrategie: Samenhang van onderdelen en besluiten die gericht zijn op het
beantwoorden van een onderzoeksvraag. Hierbij moeten beslissingen worden genomen over
allerlei aspecten:
o Over wie gaat het onderzoek?
o Bij wie moet ik data verzamelen?
o Op welke manier moet ik data verzamelen?
o Op welke manier moet ik het analyseren?
- Bereiken van onderzoeksdoel: Welke bijdrage ga ik leveren met mijn onderzoek en welke kennis
heb ik daarvoor nodig.
- Praktijkgericht onderzoek: Als onderzoeker verander je de praktijksituatie niet. Dat laat je aan
anderen over. Je bekijkt alleen hoe de praktijksituatie veranderd moet worden.
- Onderzoeksvragen: Verschillende momenten van tijd:
o Statisch: Op één moment van tijd.
o (Comparatief statisch: Vergelijken van twee momenten van tijd.)
o Dynamisch: Vergelijken van verschillende momenten in tijd.
- Onderzoeksvragen: Soorten vragen:
o Beschrijvend: Vraag die op dat moment het fenomeen in kaart brengt. Je wilt weten hoe
het eruit ziet.
Bijvoorbeeld: Wat is het percentage Nederlanders dat vertrouwen heeft in landelijke
politici? Deze vraag is ook statisch, omdat het over één moment van tijd gaat.
o Verklarend: Zoeken naar oorzaken.
o Toetsend: Er zit een veronderstelling in de vraag.
, Bijvoorbeeld: Is het percentage ouderen dat vertrouwen heeft in landelijke politici
groter dan jongeren?
- Soorten vragen: Welke tijd?
o Verleden
o Heden
o Toekomst
- Waarnemingseenheid: Eenheden waarvan de informatie verzameld wordt. Dit kunnen mensen
zijn, maar dit hoeft niet altijd.
- Onderzoekseenheid: Groep waarover de uitspraak wordt gedaan. Vaak is dit hetzelfde als de
onderzoekseenheid, maar niet altijd.
Survey
- Survey: Vaak op één moment. Methode van waarnemen zijn vaak vragenlijsten.
- Relaties: Met een survey kan je over het algemeen alleen een fenomeen beschrijven en een
patroon ontdekken. Een causale relatie kun je vaak niet onderzoeken, omdat het survey op één
moment wordt afgenomen.
- Analyses bij survey zijn kwantitatief/statistisch. Open vragen zijn vaak bedoeld om te veranderen
in categorieën, dus ook die zijn kwantitatief.
- Validiteit:
o Interne validiteit: Meten wat ik wil meten. Zegt het onderzoek wel iets over datgene waar
ik onderzoek naar doe.
o Externe validiteit: Kan ik goed mijn resultaten vertalen naar de algemene populatie.
- Survey scoort over het algemeen wat minder op interne validiteit. Er worden namelijk vaak al
antwoordcategorieën gegeven. Daarom heeft een open vraag een hogere interne validiteit dan
meerkeuzevragen.
- Steekproeven:
o A-select: Iedereen heeft een gelijke kans om in de steekproef te komen. Daar heb je een
steekproefkader voor nodig, bijvoorbeeld een bevolkingsregister. Hier kan heel gemakkelijk
een a-selecte steekproef uit worden genomen.
o Niet a-select: Soms is de populatie van die aard dat er geen steekproefkader is. Bijv. Albert
Heijn. Je kunt niet alleen klanten met een bonuskaart onderzoeken. Als je dan voor een
winkel gaat staan om mensen te ondervragen heb je een niet a-selecte steekproef. Ook
internetpanels zijn niet a-select, omdat men zich moet registreren om mee te doen.
Experiment