Doelstellingen zso 7 fysiologie van de ademhaling
1. Je weet wat de partiële druk van een gas is, kan dit in eigen
woorden omschrijven, en kent het belang ervan bij de ademhaling.
Het deeltje druk van een specifiek gas in een gasmengsel, difussie is
gebasseerd op drukverschillen (hoge naar lage druk) en daarom is dit essentieel.
Om de partiële druk omhoog te krijgen bij pt ga je O2 gaan toedienen ->
pO2 is hoger dan de lucht ronddom ons, je gaat dus meer difussie forceren
door pO2.
Ongeveer 20% O2 in de lucht rondom ons
Trainen hoog in de bergen -> lagerer pO2 -> terug op zeeniveau -> meer rode bloedcellen en
hemoglobine -> betere prestaties kunnen leveren
2. Je begrijpt hoe O2 en CO2 diffunderen bij in- en uitademing, over de
alveolaire-capillaire membraan (externe respiratie). Je kan dit
diffusieproces t.h.v. de longen en de weefsels (interne respiratie)
ook uitleggen in eigen woorden.
3. Je weet hoe zuurstof en koolzuurgas in het bloed worden
getransporteerd.
4. Je kent de betekenis van de zuurstof dissociatiecurve.
- hoe hoger de pO2 hoe hoger de saturatie
- covid pt heeft lage saturatie want is een longaandoening en er is vocht in
de longen
- saturatie (=verzadiging): maat voor de hoeveelheid zuurstof dat gebonden
is aan hemoglobine -> zegt dus iets over de binding / affiniteit v hemoglobine
saturatie / affiniteit wordt beïnvloed door:
o temperatuur als t° stijgt -> weefsels werken harder -> meer O2 nodig, als t°
stijgt -> meer disociatie (loslaten) -> minder saturatie -> minder binding
o pco2 of Co2
o ph
5. Je kent de factoren die de affiniteit van hemoglobine voor zuurstof
kunnen veranderen en invloed hebben op de
zuurstofdissociatiecurve. Je hebt eveneens inzicht in de klinische
betekenis van dit gegeven.
, 5. Je kent het mechanisme van in- en uitademen, en de druk- en
volumeveranderingen welke aan de basis liggen. Je Je weet uit
vorige opdrachten welke ademhalingsspieren hierbij belangrijk
zijn.
6. Je kent het belang van de luchtwegweerstand voor de ademhaling.
(dia 18)
- Bronchodilatatie: luchtwegen open -> minder weerstand (makkelijker
gasuitwisseling)
- Bronchoconstrictie: luchtwegen gesloten -> meer weerstand (moeilijkere
gasuitwisseling, bij astma pt)
7. Je kent de longvolumes en je kan ze op een figuur aanduiden.
Ademvolume (Vt= tidal volume): 500 ml waarvan 350 in alveolen komt
(voor gastuitwisseling) en andere 150 ml is ‘dode ruimte’, gebeurt niets
mee want zit in rest van luchtwegen
(enkel in alveolen diffusie mogelijk omdat alleen hier eenlagig
plaveiselepitheel is, in de rest van de luchtwegen is overal meerlagig
epitheel)
- Inspiratoir ademvolume: heel diep inademen
- Expiratoir ademvolume: heel diep uitamenen vitale capaciteit
AMV (hoeveelheid lucht dat we per minuut in en uitademen): AF (ademhalingsfrequentie) X Vt
(ademvolume)
12 x/min X 500 ml/X = 600 ml / min -> 6 l
8. Je kent de rol van het ademhalingscentrum in de ademhaling. Je
weet waar dit centrum zich situeert en welke factoren de werking
ervan kunnen beïnvloeden.
9. Je kent de rol van het ademhalingscentrum in de ademhaling. Je weet waar
dit centrum
zich situeert en welke factoren de werking ervan kunnen beïnvloeden.
1. Je weet wat de partiële druk van een gas is, kan dit in eigen
woorden omschrijven, en kent het belang ervan bij de ademhaling.
Het deeltje druk van een specifiek gas in een gasmengsel, difussie is
gebasseerd op drukverschillen (hoge naar lage druk) en daarom is dit essentieel.
Om de partiële druk omhoog te krijgen bij pt ga je O2 gaan toedienen ->
pO2 is hoger dan de lucht ronddom ons, je gaat dus meer difussie forceren
door pO2.
Ongeveer 20% O2 in de lucht rondom ons
Trainen hoog in de bergen -> lagerer pO2 -> terug op zeeniveau -> meer rode bloedcellen en
hemoglobine -> betere prestaties kunnen leveren
2. Je begrijpt hoe O2 en CO2 diffunderen bij in- en uitademing, over de
alveolaire-capillaire membraan (externe respiratie). Je kan dit
diffusieproces t.h.v. de longen en de weefsels (interne respiratie)
ook uitleggen in eigen woorden.
3. Je weet hoe zuurstof en koolzuurgas in het bloed worden
getransporteerd.
4. Je kent de betekenis van de zuurstof dissociatiecurve.
- hoe hoger de pO2 hoe hoger de saturatie
- covid pt heeft lage saturatie want is een longaandoening en er is vocht in
de longen
- saturatie (=verzadiging): maat voor de hoeveelheid zuurstof dat gebonden
is aan hemoglobine -> zegt dus iets over de binding / affiniteit v hemoglobine
saturatie / affiniteit wordt beïnvloed door:
o temperatuur als t° stijgt -> weefsels werken harder -> meer O2 nodig, als t°
stijgt -> meer disociatie (loslaten) -> minder saturatie -> minder binding
o pco2 of Co2
o ph
5. Je kent de factoren die de affiniteit van hemoglobine voor zuurstof
kunnen veranderen en invloed hebben op de
zuurstofdissociatiecurve. Je hebt eveneens inzicht in de klinische
betekenis van dit gegeven.
, 5. Je kent het mechanisme van in- en uitademen, en de druk- en
volumeveranderingen welke aan de basis liggen. Je Je weet uit
vorige opdrachten welke ademhalingsspieren hierbij belangrijk
zijn.
6. Je kent het belang van de luchtwegweerstand voor de ademhaling.
(dia 18)
- Bronchodilatatie: luchtwegen open -> minder weerstand (makkelijker
gasuitwisseling)
- Bronchoconstrictie: luchtwegen gesloten -> meer weerstand (moeilijkere
gasuitwisseling, bij astma pt)
7. Je kent de longvolumes en je kan ze op een figuur aanduiden.
Ademvolume (Vt= tidal volume): 500 ml waarvan 350 in alveolen komt
(voor gastuitwisseling) en andere 150 ml is ‘dode ruimte’, gebeurt niets
mee want zit in rest van luchtwegen
(enkel in alveolen diffusie mogelijk omdat alleen hier eenlagig
plaveiselepitheel is, in de rest van de luchtwegen is overal meerlagig
epitheel)
- Inspiratoir ademvolume: heel diep inademen
- Expiratoir ademvolume: heel diep uitamenen vitale capaciteit
AMV (hoeveelheid lucht dat we per minuut in en uitademen): AF (ademhalingsfrequentie) X Vt
(ademvolume)
12 x/min X 500 ml/X = 600 ml / min -> 6 l
8. Je kent de rol van het ademhalingscentrum in de ademhaling. Je
weet waar dit centrum zich situeert en welke factoren de werking
ervan kunnen beïnvloeden.
9. Je kent de rol van het ademhalingscentrum in de ademhaling. Je weet waar
dit centrum
zich situeert en welke factoren de werking ervan kunnen beïnvloeden.