HC1 – basisconcept en onderzoeksvraag
- Onderscheid deductief redeneren VS. Inductief redeneren
Deductief redeneren: niet zomaar zaken/bevindingen gaan doortrekken. De conclusie is logisch onontkoombaar.
‘top-down’
Voorbeeld (syllogisme):
Alle mensen zijn sterfelijk (vooronderstelling 1)
Ik ben een mens (vooronderstelling 2)
Dus: ik ben sterfelijk (conclusie)
Inductief redeneren: komt men tot een algemene regel, een bepaalde theorie, op de grond van empirisch
onderzoek, op basis van specifieke waarnemingen.
‘bottom-up’
Voorbeeld:
De eerste zwaan die ik zie is wit;
de tweede zwaan is wit;
… de n-de zwaan is wit;
Dus: alle zwanen zullen wel wit zijn.
Gevaarlijk, want zij vergaten dat zij waarschijnlijk niet alle zwanen waargenomen hadden. Er bleken inderdaad wel
zwanen te bestaan die niet wit waren.
- Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek (3)
1. Systematische manier
2. Controle
3. Generaliseerbaarheid
Systematische manier: stap voor stap. Begint bij probleemstelling, definieert onderzoeksplan opstellen, informatie
verzamelen om het probleem te beschrijven, verklaren, voorspellen, beheersen
Controle: Storende factoren zijn minimaal. Proces is controleerbaar + reproduceerbaar
Generaliseerbaarheid: In de mate waarin de resultaten van het onderzoek, waaraan altijd maar een relatief klein
aantal mensen meedoet doorgetrokken kunnen worden naar alle mensen op wie het onderzoeksonderwerp van
toepassing is.
- Doel van wetenschappelijk onderzoek + verschillende types
Hoofddoel: kennis toenemen
1. De werkelijkheid beschrijven (descriptief onderzoek): onderzoeker probeert via observaties te beschrijven +
soms te ordenen
2. Exploratie: waarbij onderliggende verbanden worden ontdekt
3. Verklaren: belangrijk in de opbouw van theorieën. Verklaren en zoeken naar oorzakelijke verbanden
(inferentiële analyses)
4. Toetsend onderzoek: toetst een idee / hypothese uit een bepaalde theorie. Onderzoeker wilt weten of de
uitspraak onjuist is.
, - Beperkingen van wetenschappelijk onderzoek
Tijd
Financiële middelen
Steekproefgrootte
Etnische en morele aspecten. Bij de interventie als bij de controle groep.
Complexiteit van de mens + menselijke gedragingen
- Cyclische voorstelling van het onderzoeksproces: stappen binnen de cyclus
1. Probleemstelling, formuleren van de specifieke onderzoeksvraag / hypothese
2. Literatuur onderzoek
3. Onderzoeksdesign
4. Populatie en steekproef
5. Gegevensverzameling
6. Gegevensverwerking
7. Interpretatie en conclusie
8. Publicatie
Vanuit observaties worden hypotheses opgebouwd die voortdurend getoetst worden aan nieuwe observaties om zo
te beslissen of de hypothese al dan niet verworpen moet worden. Op basis van een op voorhand gekozen
zekerheidsdrempel wordt de hypothese aanvaard of verworpen.
Kwantitatief: er kunnen exacte data verzameld en geanalyseerd worden. Onderzoek met cijfers.
Kwalitatief: er kunnen geen exacte data verzameld worden. Onderzoek met niet-cijfermatige gegevens. Vb:
meningen van mensen. Ervaringen van mensen
- De onderzoeksvraag: van waaruit kan ze ontstaan (4) + wat zijn de typische kenmerken?
Kan ontstaan vanuit:
1. Klinisch probleem
2. Door een discussie inzake van protocol van aanpak binnen het multidisciplinair patiënten overleg
3. Ter gelegenheid van een presentatie, van een nieuw diagnostisch middel met overtuiging gebracht door een
vertegenwoordiger van een producent
4. Door het lezen van vakliteratuur, met twijfelachtige, onverwachte, onduidelijke resultaten
Kenmerken:
- onderzoekbaar
- Volledig
- Duidelijk
- eenduidig
- Enkelvoud
- Gebruik PICO termen + is de onderzoeksvraag SMART
P = een duidelijk probleem, populatie, patientengroep
I = Een duidelijke hypothetische oorzaak (verklarende factor) (interventie)
C = Een duidelijk vergelijkende verklarende factor (comparison)
O = Een duidelijk meetbaar verwacht gevolg (outcome)
+ eventueel tijdsfactor, een dosis-respons factor
S = Specifiek
M = Meetbaar
- Onderscheid deductief redeneren VS. Inductief redeneren
Deductief redeneren: niet zomaar zaken/bevindingen gaan doortrekken. De conclusie is logisch onontkoombaar.
‘top-down’
Voorbeeld (syllogisme):
Alle mensen zijn sterfelijk (vooronderstelling 1)
Ik ben een mens (vooronderstelling 2)
Dus: ik ben sterfelijk (conclusie)
Inductief redeneren: komt men tot een algemene regel, een bepaalde theorie, op de grond van empirisch
onderzoek, op basis van specifieke waarnemingen.
‘bottom-up’
Voorbeeld:
De eerste zwaan die ik zie is wit;
de tweede zwaan is wit;
… de n-de zwaan is wit;
Dus: alle zwanen zullen wel wit zijn.
Gevaarlijk, want zij vergaten dat zij waarschijnlijk niet alle zwanen waargenomen hadden. Er bleken inderdaad wel
zwanen te bestaan die niet wit waren.
- Kenmerken van wetenschappelijk onderzoek (3)
1. Systematische manier
2. Controle
3. Generaliseerbaarheid
Systematische manier: stap voor stap. Begint bij probleemstelling, definieert onderzoeksplan opstellen, informatie
verzamelen om het probleem te beschrijven, verklaren, voorspellen, beheersen
Controle: Storende factoren zijn minimaal. Proces is controleerbaar + reproduceerbaar
Generaliseerbaarheid: In de mate waarin de resultaten van het onderzoek, waaraan altijd maar een relatief klein
aantal mensen meedoet doorgetrokken kunnen worden naar alle mensen op wie het onderzoeksonderwerp van
toepassing is.
- Doel van wetenschappelijk onderzoek + verschillende types
Hoofddoel: kennis toenemen
1. De werkelijkheid beschrijven (descriptief onderzoek): onderzoeker probeert via observaties te beschrijven +
soms te ordenen
2. Exploratie: waarbij onderliggende verbanden worden ontdekt
3. Verklaren: belangrijk in de opbouw van theorieën. Verklaren en zoeken naar oorzakelijke verbanden
(inferentiële analyses)
4. Toetsend onderzoek: toetst een idee / hypothese uit een bepaalde theorie. Onderzoeker wilt weten of de
uitspraak onjuist is.
, - Beperkingen van wetenschappelijk onderzoek
Tijd
Financiële middelen
Steekproefgrootte
Etnische en morele aspecten. Bij de interventie als bij de controle groep.
Complexiteit van de mens + menselijke gedragingen
- Cyclische voorstelling van het onderzoeksproces: stappen binnen de cyclus
1. Probleemstelling, formuleren van de specifieke onderzoeksvraag / hypothese
2. Literatuur onderzoek
3. Onderzoeksdesign
4. Populatie en steekproef
5. Gegevensverzameling
6. Gegevensverwerking
7. Interpretatie en conclusie
8. Publicatie
Vanuit observaties worden hypotheses opgebouwd die voortdurend getoetst worden aan nieuwe observaties om zo
te beslissen of de hypothese al dan niet verworpen moet worden. Op basis van een op voorhand gekozen
zekerheidsdrempel wordt de hypothese aanvaard of verworpen.
Kwantitatief: er kunnen exacte data verzameld en geanalyseerd worden. Onderzoek met cijfers.
Kwalitatief: er kunnen geen exacte data verzameld worden. Onderzoek met niet-cijfermatige gegevens. Vb:
meningen van mensen. Ervaringen van mensen
- De onderzoeksvraag: van waaruit kan ze ontstaan (4) + wat zijn de typische kenmerken?
Kan ontstaan vanuit:
1. Klinisch probleem
2. Door een discussie inzake van protocol van aanpak binnen het multidisciplinair patiënten overleg
3. Ter gelegenheid van een presentatie, van een nieuw diagnostisch middel met overtuiging gebracht door een
vertegenwoordiger van een producent
4. Door het lezen van vakliteratuur, met twijfelachtige, onverwachte, onduidelijke resultaten
Kenmerken:
- onderzoekbaar
- Volledig
- Duidelijk
- eenduidig
- Enkelvoud
- Gebruik PICO termen + is de onderzoeksvraag SMART
P = een duidelijk probleem, populatie, patientengroep
I = Een duidelijke hypothetische oorzaak (verklarende factor) (interventie)
C = Een duidelijk vergelijkende verklarende factor (comparison)
O = Een duidelijk meetbaar verwacht gevolg (outcome)
+ eventueel tijdsfactor, een dosis-respons factor
S = Specifiek
M = Meetbaar