Agogiek
1 Communicatie:
1.1 Begrip
Wat je ook doet, er is altijd sprake van communicatie. Het is veel meer
dan alleen maar praten. Het omvat elk gedrag –verbaal én non-verbaal-
dat informatie geeft aan anderen.
Alle gedrag is communicatie!
Tijdens een vergadering geeuwt iemand achter zijn hand.
Waarom? Omdat hij niet wil dat anderen zien dat hij hem aan het vervelen
is.
De geeuw op zich is informatie, onbedoeld gedrag
MAAR omdat anderen erbij zijn, wordt het communicatie.
We spreken van communicatie wanneer iemand via
informatieoverdracht iemand anders beïnvloedt.
1.1.1 Communicatie verhelderen volgens het schema van Lasswell.
(= communicatief gedrag wordt hier weergegeven aan de hand van 5
kernvragen):
Zender Boodschap Medium/ Ontvang effect
=> / => kanaal => er =>
informatie
Wie? Zegt wat? Hoe? Tegen wie? Met welk
effect?
(wat de ontvanger
interpreteert)
1.1.2 Definitie
(!) Communicatie is een doorlopend proces waarin 2 of meer personen in een
bepaald context, via een
medium en een code, informatie uitwisselen en zo met elkaar in relatie treden,
om elk voor zich
bepaalde doelen en wensen te realiseren.
Definitie kaderen in een klascontext
Communicatie in de klas is het uitwisselen van informatie, waarbij niet alleen het
lerend vermogen
van de leerlingen wordt gestimuleerd, maar waar er wordt gestreefd naar een opren
relatie
,tussen leerkracht en leerlingen, met behoud van het nodige respect voor elkaar en
voor elkaars
referentiekader.
1.2 Communicatie: een procesmodel
1.2.1 communicatiemodel
1.2.2 De verschillende basiscompetenten uit het model
1.2.2.1 De zender
De bron van de boodschap -> hij doet dit onbewust/bewust
voorbeeld: leerkracht, spreker, schrijver, …
Elke zender (en ontvanger) bezit een referentiekader
Omvat kennis, ervaring, vooroordelen, gevoelens, verwachtingen, … en de
, zender formuleert zijn
boodschappen vanuit dit referentiekader.
1.2.2.2 Coderen
De zender zet zijn boodschap om in een daartoe geëindigde symbolische
vorm, meestal spreektaal,
maar ook gebarentaal en het non-verbale gedrag maken hier deel van uit.
1.2.2.3 De boodschap
Inhoudelijke laag:
De inhoud is de letterlijke betekenis
Relationele aspect:
hoe de inhoud begrepen moet worden, hoe de zender zichzelf ziet, de
ontvanger en de relatie tussen beiden.
1.2.2.4Kanaal:
Bijvoorbeeld: je belt iemand op.
-> je bent maar door 1 kanaal verbonden met hem (= auditieve kanaal)
Bijvoorbeeld: dvd laten zien aan de klas.
-> je bent door 2 kanalen verbonden (auditieve en visuele kanaal)
1.2.2.5 Code:
Systeem van cultureel bepaalde regels en tekens die ons toelaten een
betekenis over te brengen en die te interpreteren. Nederlandse taal,
verkeerscode, gebarentaal, …
Non-verbaal gedrag: blozen, je wenkbrauwen fronsen of zelfs niets
zeggen, kunnen codes zijn.
1.2.2.6 Medium:
Middel waarmee men communiceert: stem, lichaam, handboek, internet,
dvd, …
1.2.2.7 Decoderen
Wanneer de ontvanger de boodschap ontvangen heeft gaat hij de
ontvangen code, decoderen of interpreteren. De symbolen worden
waargenomen, ontcijferd en terug vertaald in een bepaalde betekenis.
1.2.2.8 De ontvanger
Degene tot wie de informatie gericht is.
1.2.2.9 Feedback
Ook de ontvanger laat iets blijken van zijn binnenkant (=boodschap). In
communicatietermen feedback genaamd.
Communicatie verloopt circulair:
De ontvanger is naast ontvanger dus ook zender. De zender is naast
zender ook ontvanger.
, 1.2.3 De verschillende communicatieniveaus uit het model
Bij elke communicatieboodschap is er sprake van 5 niveaus.
Elk niveau is essentieel onderdeel van de communicatie tussen mensen.
1.2.3.1 Inhoudsniveau
verwijst naar de uitwisseling van informatie en valt meestal het meeste
op.
*Leerkracht mag zich niet alleen focussen op de inhoud van de les, maar moet
ook aandacht schenken aan de andere niveaus.
1.2.3.2 Relatieniveau
Elke boodschap bevat informatie over de relatie tussen de
gesprekspartners.
Onze non-verbale en paralinguale (intonatie, volume, tempo, …)
gedragingen veel zeggen over
de relatie tussen de gesprekspartners
Inhoudsniveau: de vraag om te helpen
relatieniveau: geeft aan dat de llk vanuit zijn positie deze vraag
kan stellen.
1.2.3.3 Perceptieniveau
We interpreteren vanuit ons referentiekader en hoe we interpreteren is
afhankelijk van onze achtergrond
en ervaringen.
1.2.3.4 Waarderingsniveau
Waardering heeft te maken met de erkenning voor wat je waard bent,
tussen communicatie-partners speelt dit een rol. 2 eigenschappen zijn
hierbij belangrijk:
Zelfbeschikking:
Iedereen wil graag het gevoel hebben dat hij of zij ook nog
dingen zelf kan beslissen.
Eigenwaarde:
Elke mens heeft het recht aanvaard te worden zoals hij of zij is.
Deze acceptatie
geeft een positief gevoel en eigenwaarde.
*Leerkrachten besteden dikwijls meer tijd aan allerlei problemen en fouten.
Het is beter om ook aandacht te besteden aan de dingen die goed gaan.
1.2.3.5 De context
Ruimte
- Materiële ruimte
de plaats zelf en het materiaal erin.
Factoren die de materiële ruimte kenmerken beïnvloeden elk
op zich de
communicatie die in de ruimte plaats heeft: grootte, licht,
aantal mensen, geur, akoestiek, …
- Persoonlijke ruimte
1 Communicatie:
1.1 Begrip
Wat je ook doet, er is altijd sprake van communicatie. Het is veel meer
dan alleen maar praten. Het omvat elk gedrag –verbaal én non-verbaal-
dat informatie geeft aan anderen.
Alle gedrag is communicatie!
Tijdens een vergadering geeuwt iemand achter zijn hand.
Waarom? Omdat hij niet wil dat anderen zien dat hij hem aan het vervelen
is.
De geeuw op zich is informatie, onbedoeld gedrag
MAAR omdat anderen erbij zijn, wordt het communicatie.
We spreken van communicatie wanneer iemand via
informatieoverdracht iemand anders beïnvloedt.
1.1.1 Communicatie verhelderen volgens het schema van Lasswell.
(= communicatief gedrag wordt hier weergegeven aan de hand van 5
kernvragen):
Zender Boodschap Medium/ Ontvang effect
=> / => kanaal => er =>
informatie
Wie? Zegt wat? Hoe? Tegen wie? Met welk
effect?
(wat de ontvanger
interpreteert)
1.1.2 Definitie
(!) Communicatie is een doorlopend proces waarin 2 of meer personen in een
bepaald context, via een
medium en een code, informatie uitwisselen en zo met elkaar in relatie treden,
om elk voor zich
bepaalde doelen en wensen te realiseren.
Definitie kaderen in een klascontext
Communicatie in de klas is het uitwisselen van informatie, waarbij niet alleen het
lerend vermogen
van de leerlingen wordt gestimuleerd, maar waar er wordt gestreefd naar een opren
relatie
,tussen leerkracht en leerlingen, met behoud van het nodige respect voor elkaar en
voor elkaars
referentiekader.
1.2 Communicatie: een procesmodel
1.2.1 communicatiemodel
1.2.2 De verschillende basiscompetenten uit het model
1.2.2.1 De zender
De bron van de boodschap -> hij doet dit onbewust/bewust
voorbeeld: leerkracht, spreker, schrijver, …
Elke zender (en ontvanger) bezit een referentiekader
Omvat kennis, ervaring, vooroordelen, gevoelens, verwachtingen, … en de
, zender formuleert zijn
boodschappen vanuit dit referentiekader.
1.2.2.2 Coderen
De zender zet zijn boodschap om in een daartoe geëindigde symbolische
vorm, meestal spreektaal,
maar ook gebarentaal en het non-verbale gedrag maken hier deel van uit.
1.2.2.3 De boodschap
Inhoudelijke laag:
De inhoud is de letterlijke betekenis
Relationele aspect:
hoe de inhoud begrepen moet worden, hoe de zender zichzelf ziet, de
ontvanger en de relatie tussen beiden.
1.2.2.4Kanaal:
Bijvoorbeeld: je belt iemand op.
-> je bent maar door 1 kanaal verbonden met hem (= auditieve kanaal)
Bijvoorbeeld: dvd laten zien aan de klas.
-> je bent door 2 kanalen verbonden (auditieve en visuele kanaal)
1.2.2.5 Code:
Systeem van cultureel bepaalde regels en tekens die ons toelaten een
betekenis over te brengen en die te interpreteren. Nederlandse taal,
verkeerscode, gebarentaal, …
Non-verbaal gedrag: blozen, je wenkbrauwen fronsen of zelfs niets
zeggen, kunnen codes zijn.
1.2.2.6 Medium:
Middel waarmee men communiceert: stem, lichaam, handboek, internet,
dvd, …
1.2.2.7 Decoderen
Wanneer de ontvanger de boodschap ontvangen heeft gaat hij de
ontvangen code, decoderen of interpreteren. De symbolen worden
waargenomen, ontcijferd en terug vertaald in een bepaalde betekenis.
1.2.2.8 De ontvanger
Degene tot wie de informatie gericht is.
1.2.2.9 Feedback
Ook de ontvanger laat iets blijken van zijn binnenkant (=boodschap). In
communicatietermen feedback genaamd.
Communicatie verloopt circulair:
De ontvanger is naast ontvanger dus ook zender. De zender is naast
zender ook ontvanger.
, 1.2.3 De verschillende communicatieniveaus uit het model
Bij elke communicatieboodschap is er sprake van 5 niveaus.
Elk niveau is essentieel onderdeel van de communicatie tussen mensen.
1.2.3.1 Inhoudsniveau
verwijst naar de uitwisseling van informatie en valt meestal het meeste
op.
*Leerkracht mag zich niet alleen focussen op de inhoud van de les, maar moet
ook aandacht schenken aan de andere niveaus.
1.2.3.2 Relatieniveau
Elke boodschap bevat informatie over de relatie tussen de
gesprekspartners.
Onze non-verbale en paralinguale (intonatie, volume, tempo, …)
gedragingen veel zeggen over
de relatie tussen de gesprekspartners
Inhoudsniveau: de vraag om te helpen
relatieniveau: geeft aan dat de llk vanuit zijn positie deze vraag
kan stellen.
1.2.3.3 Perceptieniveau
We interpreteren vanuit ons referentiekader en hoe we interpreteren is
afhankelijk van onze achtergrond
en ervaringen.
1.2.3.4 Waarderingsniveau
Waardering heeft te maken met de erkenning voor wat je waard bent,
tussen communicatie-partners speelt dit een rol. 2 eigenschappen zijn
hierbij belangrijk:
Zelfbeschikking:
Iedereen wil graag het gevoel hebben dat hij of zij ook nog
dingen zelf kan beslissen.
Eigenwaarde:
Elke mens heeft het recht aanvaard te worden zoals hij of zij is.
Deze acceptatie
geeft een positief gevoel en eigenwaarde.
*Leerkrachten besteden dikwijls meer tijd aan allerlei problemen en fouten.
Het is beter om ook aandacht te besteden aan de dingen die goed gaan.
1.2.3.5 De context
Ruimte
- Materiële ruimte
de plaats zelf en het materiaal erin.
Factoren die de materiële ruimte kenmerken beïnvloeden elk
op zich de
communicatie die in de ruimte plaats heeft: grootte, licht,
aantal mensen, geur, akoestiek, …
- Persoonlijke ruimte