Fysiologie van de zwangerschap: anatomie en fysiologie
INLEIDING
Doel van het voortplantingsstelsel: in stand houden van de soort,
bevruchting/zwangerschap/geboorte mogelijk maken, voeden van immature nakomeling
- voortplantingsorganen
Gonaden: ovarium en testis
Bevruchting man: bijbal, ductus deferens, prostaat, zaadblaasjes, penis
Bevruchting vrouw: vagina, uterus, eileider
Implantatie zwangerschap/groei/baring: uterus
- vrouwelijke geslachtsorganen
Inwendig
o Geslachtsklier/gonade: ovarium/eierstok
o Eileider/tuba uterina/salpinx
o Baarmoeder/uterus
o Schede/vagina
o
Uitwendig
o Vulva
- mannelijke geslachtsorganen
Geslachtsklier/gonade: teelbal/testis 1
Bijbal/epididymis 2
Zaadleider/ductus deferens 3
Zaadblaasjrs: vesiculi seminalis 4
Voorstanderklier/prostaat 5
Klieren van Cowper/bulbo-urethrale klieren
Penis 6
- functie van de gonaden/geslachtsklier
Vorming van voortplantingscellen of gameten = GAMETOGENESE
o Vrouw: vorming van eicellen = OÖGENESE + FOLLICULOGENESE
o Man: vorming van zaadcellen = SPERMATOGENESE
Vorming geslachtshormonen = GESLACHTSSTEROÏDEN
o Mannelijke geslachtshormonen gevormd door testis+++, ovarium en bijnier
C19 androgenen: testosteron
Leydigcellen: androgenen
o Vrouwelijke geslachtshormonen gevormd door ovarium+++, testis en bijnier
C21 progestagenen
C18 oestrogenen, C19 gevormd door aromatase
Follikels: granulosacellen (oestradiol) en granulosa-luteincellen (progestagenen)
Thecacellen: androgenen
1
,OVARIUM = EIERSTOKKEN
- 1 ovarium links en rechts (2,5cm-5cm)
- grijswitte kleur
- in de buikholte intra-abdominaal
- onderaan in het bekken/pelvis
- afhankelijk van de leeftijd van de vrouw glad oppervlak bij jonge vrouwen en hobbelig oppervlak
bij oudere vrouwen door follikgroei en ovulatie
- bevatten alle voortplantingscellen
1 eicel per follikel
Continue verlies aan voortplantingscellen = follikelatresie
Ovariële cyclus vanaf reproductieve periode (vanaf menstruatie)
o Finale ontwikkeling van follikel met rijping van de eicel tot secundaire oöcyt
o Vrijgeven van eicel (ovulatie of eisprong)
o Ontwikkeling corpus luteum
- productie van geslachtshormonen
Productie in de ovariële cyclus door de follikelcellen (oestrogenen en progestagenen)
Interstitiële cellen: thecacellen (androgenen) niet volledig gevonden aan ovariële cyclus,
blijven ook produceren na de menopauze
- doorsnede ovarium tijdens reproductieve periode
Epitheel: 1 laag
o Tunica albuginea
o Bindweefsel, grijswitte kleur
Cortex: schors
o Ovarieel stroma
o Parenchym: eicellen+ hormoonproducerende cellen
o Follikels: eicel + granulosacellen
o Interstitiële cellen: thecacellen
o bindweefsel
Medulla
o Bloedvaten, zenuwen
o bindweefsel
Hilum
o Bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
o Aanhechting aan ovarium via mesovarium aan de brede band
2
,- doorsnede ovarium tijdens de menopauze
Geen eicellen en follikels
Volume neemt af
Stroma is een dunne laag
- omliggende structuren van het ovarium
Intra abdominaal orgaan
Bekleed met visceraal peritoneum = serosa
Mesovarium: eenlagig epitheel dat aan het hilum overgaat in het peritoneel dubbelblad
Mesometrium: mesovarium dat over gaat in het peritoneel dubbelblad lateraal van de uterus
o Brede band/ligamentum latum
Mesosalpinx: peritoneaal dubbelblad van de eileider of salpinx
- ligamenten rondom het ovarium
Ligament ovarii proprium = ovarieel ligament
o Stevige bindweefselband in de brede band tussen de mediale pool van het ovarium en de
laterale boven achterwand van de uterus
Ligament suspensorium ovarii = infundibulopelvis ligament
o Ovariële arterie die hogerop vanuit de aorta vertrekt
o Ovariële vene die rechts hogerop naar de VCI draineert
o Ovariële vene die links naar de naar de linker vena renalis draineert
TUBA UTERINA = EILEIDER = SALPINX
- functies
Rol bij transport en capacitatie van zaadcellen
Opvang eicel bij ovulatie
Plaats van bevruchting
Transport van zygote naar de uterus
Bij de eisprong: fimbriae bewegen over het oppervlak van het ovarium
3
, - bouw van de eileider
Buisvormig
2 links en recht ongeveer 10cm
Centrale holte/tubaire lumen
Wand met 3 lagen: mucosa, muscularis, serosa/visceraal peritoneum
o Mucosa: eenlagig epitheel in plooien (plooien ampulla groter dan isthmus)
Met trilhaarcellen voor transport
Kliercellen voor secreties
Basaal membraan
Laag bindweefsel
o Muscularis: gladde spiercellen
Circulaire en overlangse spierlaag
Peristaltiek voor voorduwen inhoud
Spierlaag isthmus groter dan ampulla
o Serosa: gladde buitenbekleding
Visceraal peritoneum
Bovenste vrije rand van de brede band
In verbinding met baarmoederholte en intra-abdominale ruimte
In de bovenste vrije rand van de brede band: ligging
- veranderingen in de wand tijdens de ovariële cyclus
Tijdens de eicelrijping
o Proliferatie fase, effect van oestrogeen
o Kliercellen nemen toe in hoogte door opgestapeld secreet
o Aantal trilharen neemt toe
Rond de eisprong
o Kliercellen secreteren maximaal
o Hoogte van kliercellen neemt af
o Trilharen steken uit
o Voedingsstoffen bevorderen de overleving van eicel en zaadcellen
o Peristaltiek van de spierlaag en het secreet helpt het voortbewegen van de zaadcellen
Na de ovulatie
o Conceptie kan optreden
o Bewegen van trilharen neemt toe + rol bij transport zygote naar uterus
- afwijkingen aan de eileider
Hydrosalpinx: vocht in de eileider dat leidt tot functieverlies
Pyrosalpinx: etter in eileider dat leidt tot functieverlies
Tubaire zwangerschap: zwangerschap in de eileider
Salpingectomie: heelkundige wegnamen van de eileider
Tubaire sterilisatie: heelkundig onderbreken van het eileiderkanaal
4
INLEIDING
Doel van het voortplantingsstelsel: in stand houden van de soort,
bevruchting/zwangerschap/geboorte mogelijk maken, voeden van immature nakomeling
- voortplantingsorganen
Gonaden: ovarium en testis
Bevruchting man: bijbal, ductus deferens, prostaat, zaadblaasjes, penis
Bevruchting vrouw: vagina, uterus, eileider
Implantatie zwangerschap/groei/baring: uterus
- vrouwelijke geslachtsorganen
Inwendig
o Geslachtsklier/gonade: ovarium/eierstok
o Eileider/tuba uterina/salpinx
o Baarmoeder/uterus
o Schede/vagina
o
Uitwendig
o Vulva
- mannelijke geslachtsorganen
Geslachtsklier/gonade: teelbal/testis 1
Bijbal/epididymis 2
Zaadleider/ductus deferens 3
Zaadblaasjrs: vesiculi seminalis 4
Voorstanderklier/prostaat 5
Klieren van Cowper/bulbo-urethrale klieren
Penis 6
- functie van de gonaden/geslachtsklier
Vorming van voortplantingscellen of gameten = GAMETOGENESE
o Vrouw: vorming van eicellen = OÖGENESE + FOLLICULOGENESE
o Man: vorming van zaadcellen = SPERMATOGENESE
Vorming geslachtshormonen = GESLACHTSSTEROÏDEN
o Mannelijke geslachtshormonen gevormd door testis+++, ovarium en bijnier
C19 androgenen: testosteron
Leydigcellen: androgenen
o Vrouwelijke geslachtshormonen gevormd door ovarium+++, testis en bijnier
C21 progestagenen
C18 oestrogenen, C19 gevormd door aromatase
Follikels: granulosacellen (oestradiol) en granulosa-luteincellen (progestagenen)
Thecacellen: androgenen
1
,OVARIUM = EIERSTOKKEN
- 1 ovarium links en rechts (2,5cm-5cm)
- grijswitte kleur
- in de buikholte intra-abdominaal
- onderaan in het bekken/pelvis
- afhankelijk van de leeftijd van de vrouw glad oppervlak bij jonge vrouwen en hobbelig oppervlak
bij oudere vrouwen door follikgroei en ovulatie
- bevatten alle voortplantingscellen
1 eicel per follikel
Continue verlies aan voortplantingscellen = follikelatresie
Ovariële cyclus vanaf reproductieve periode (vanaf menstruatie)
o Finale ontwikkeling van follikel met rijping van de eicel tot secundaire oöcyt
o Vrijgeven van eicel (ovulatie of eisprong)
o Ontwikkeling corpus luteum
- productie van geslachtshormonen
Productie in de ovariële cyclus door de follikelcellen (oestrogenen en progestagenen)
Interstitiële cellen: thecacellen (androgenen) niet volledig gevonden aan ovariële cyclus,
blijven ook produceren na de menopauze
- doorsnede ovarium tijdens reproductieve periode
Epitheel: 1 laag
o Tunica albuginea
o Bindweefsel, grijswitte kleur
Cortex: schors
o Ovarieel stroma
o Parenchym: eicellen+ hormoonproducerende cellen
o Follikels: eicel + granulosacellen
o Interstitiële cellen: thecacellen
o bindweefsel
Medulla
o Bloedvaten, zenuwen
o bindweefsel
Hilum
o Bloedvaten, zenuwen en lymfevaten
o Aanhechting aan ovarium via mesovarium aan de brede band
2
,- doorsnede ovarium tijdens de menopauze
Geen eicellen en follikels
Volume neemt af
Stroma is een dunne laag
- omliggende structuren van het ovarium
Intra abdominaal orgaan
Bekleed met visceraal peritoneum = serosa
Mesovarium: eenlagig epitheel dat aan het hilum overgaat in het peritoneel dubbelblad
Mesometrium: mesovarium dat over gaat in het peritoneel dubbelblad lateraal van de uterus
o Brede band/ligamentum latum
Mesosalpinx: peritoneaal dubbelblad van de eileider of salpinx
- ligamenten rondom het ovarium
Ligament ovarii proprium = ovarieel ligament
o Stevige bindweefselband in de brede band tussen de mediale pool van het ovarium en de
laterale boven achterwand van de uterus
Ligament suspensorium ovarii = infundibulopelvis ligament
o Ovariële arterie die hogerop vanuit de aorta vertrekt
o Ovariële vene die rechts hogerop naar de VCI draineert
o Ovariële vene die links naar de naar de linker vena renalis draineert
TUBA UTERINA = EILEIDER = SALPINX
- functies
Rol bij transport en capacitatie van zaadcellen
Opvang eicel bij ovulatie
Plaats van bevruchting
Transport van zygote naar de uterus
Bij de eisprong: fimbriae bewegen over het oppervlak van het ovarium
3
, - bouw van de eileider
Buisvormig
2 links en recht ongeveer 10cm
Centrale holte/tubaire lumen
Wand met 3 lagen: mucosa, muscularis, serosa/visceraal peritoneum
o Mucosa: eenlagig epitheel in plooien (plooien ampulla groter dan isthmus)
Met trilhaarcellen voor transport
Kliercellen voor secreties
Basaal membraan
Laag bindweefsel
o Muscularis: gladde spiercellen
Circulaire en overlangse spierlaag
Peristaltiek voor voorduwen inhoud
Spierlaag isthmus groter dan ampulla
o Serosa: gladde buitenbekleding
Visceraal peritoneum
Bovenste vrije rand van de brede band
In verbinding met baarmoederholte en intra-abdominale ruimte
In de bovenste vrije rand van de brede band: ligging
- veranderingen in de wand tijdens de ovariële cyclus
Tijdens de eicelrijping
o Proliferatie fase, effect van oestrogeen
o Kliercellen nemen toe in hoogte door opgestapeld secreet
o Aantal trilharen neemt toe
Rond de eisprong
o Kliercellen secreteren maximaal
o Hoogte van kliercellen neemt af
o Trilharen steken uit
o Voedingsstoffen bevorderen de overleving van eicel en zaadcellen
o Peristaltiek van de spierlaag en het secreet helpt het voortbewegen van de zaadcellen
Na de ovulatie
o Conceptie kan optreden
o Bewegen van trilharen neemt toe + rol bij transport zygote naar uterus
- afwijkingen aan de eileider
Hydrosalpinx: vocht in de eileider dat leidt tot functieverlies
Pyrosalpinx: etter in eileider dat leidt tot functieverlies
Tubaire zwangerschap: zwangerschap in de eileider
Salpingectomie: heelkundige wegnamen van de eileider
Tubaire sterilisatie: heelkundig onderbreken van het eileiderkanaal
4