Virologie
1. INLEIDING: VERSCHIL TUSSEN VIRUSSEN EN BACTERIËN
(a) Virussen zijn veel kleiner
Bacteriën zijn gemiddeld 2 à 3 micrometer (varieert van 0,2 tot 10 μm)
Virussen zijn gemiddeld 40 à 80 nanometer
(b) virussen zijn obligaat intracellulair
Omdat ze geen ribosomen hebben (zeer belangrijk voor eiwitsynthese), zijn ze aangewezen
op ribosomen v/d GHC1
Ze kunnen zich enkel in gastheercel vermenigvuldigen (GHC staat in voor “assemblage”)
! atypische bacteriën
(c) Genetisch materiaal: RNA en DNA
Bacteriën hebben enkel DNA
Op basis van hun erfelijk materiaal kunnen we virussen indelen in RNA-virussen en DNA-virussen
(d) Virussen zijn NIET gevoelig voor antibiotica
2. SAMENSTELLING EN MORFOLOGIE VAN HET VIRUS
(a) Vorm
Virus ≠ volwaardige cel, maar een subcellulaire eenheid
2 soorten virussen:
Naakte virussen: bestaan uit genetisch materiaal
ingepakt in een eiwitmantel (capside)
Capside + genetisch materiaal = nucleocapside
Omhulde virussen: hebben rondom hun
nucleocapside nog een envelop
Op de envelop bevinden zich virale antigenen
en enzymes
(b) Genetisch materiaal
Het genetische materiaal van een virus kan bestaan uit RNA of DNA
1
GHC = gastheercel
1
, RNA (meestal enkelstrengig) en DNA (enkelstrengig of dubbelstrengig)
Opdeling (zie boven)
(c) Bacteriofaag (bacteriën”vreters”)
Virussen komen niet enkel bij de mens voor, maar ook bij bacteriën → bacteriofaag (vallen bacteriën
aan)
Bacteriofagen zijn virussen die hun DNA in een bacterie injecteren en de bacterie virussen laten maken
ze bestaan uit: (1) Capside met dubbelstrengig DNA
(2) Schacht (voor de injectie van DNA in
bacterie)
(3) Staartvezels (voor adhesie op bacterie)
Voordeel: bacteriofagen vallen geen eukaryoten aan
Toepassingen:
Voedingsindustrie: antimicrobieel middel in vleeswaren
Vb. Bacteriofagenpreparaat tegen listeria monocytogenes: het mengsel wordt als een
spray aangebracht op de vleeswaren (die koud worden gegeten) → Moet wel op de
verpakking staan.
Geneeskunde: wondpleisters, sprays → nog niet toegelaten in België
Toekomst: als vervanging van AB… ?
3. VERMENIGVULDIGING VAN VIRUSSEN
→ geldt voor gewone virussen, als voor bacteriofagen:
(1) Adsorptie / adhesie / aanhechting
(2) Penetratie
(3) (ontmanteling)
(4) (RNA naar DNA)
(5) (Integratie in genoom gastheer)
(6) Vermenigvuldiging van genetisch materiaal en capsidemateriaal
(7) Assemblage: Virusproductie
(8) Vrijstelling virussen (met lyse van de gastheerceel)
A. Vermenigvuldiging van DNA en RNA-virussen
a. Adsorptie → penetratie → ontmanteling
De eerste stap bij beide soorten virussen is gelijk:
2