De resultatenrekening
1. Commerciële of bedrijfsactiviteiten
Defensie
Recurrent: bedrijfsopbrengsten en kosten komen regelmatig voor “dagdagelijks”,
gewone activiteiten. bv. Verkopen handelsgoederen, leveringen
Niet-recurrent: bedrijfsopbrengsten en kosten die uitzonderlijke activiteiten zijn.
2. Financiële activiteiten
Het gaat over kosten en opbrengsten die ontstaan uit financiële verrichtingen, bv.
bankkosten, betaalde interesten op geleed geld = financiële kosten
-> deze voorbeelden komen regelmatig voor, ze zijn dus recurrent
Niet-recurrente financiële kosten & opbrengsten
-> de moederonderneming verkopen, pakket aandelen, …
Al deze kosten en opbrengsten hebben betrekking op een welbepaalde periode, meeste
1 boekjaar (=periode van 12 maanden).
Aan het einde van die periode wordt het verschil gemaakt: opbrengsten – kosten
> 0 = winst
< 0 = verlies
Bij winst belastingen betalen. In mindering gebracht van het resultaat = winst na
belastingen.
2. De bestemming van het resultaat
Het resultaat wordt eerst bepaald: is er een winst of een verlies, en hoe groot?
Eens het te bestemmen resultaat van het boekjaar gekend is, volgt het sluitstuk in de
resultatenrekening, de resultaatverwerking.
Slechts bij het einde van het boekjaar wordt de eindbalans terug in evenwicht gebracht
door de resultatentoewijzing waarbij de winst of het verlies wordt opgenomen in de
eindbalans.
3. Boekingsregels van resultatenrekeningen
De boekingsregels worden afgeleid uit de boekingen op de rekeningen ‘kapitaal’
In geval van winst, zouden we de rekening Kapitaal crediteren. Aangezien de
opbrengsten de winst verhogen, crediteren we dan ook de opbrengstenrekeningen bij
1. Commerciële of bedrijfsactiviteiten
Defensie
Recurrent: bedrijfsopbrengsten en kosten komen regelmatig voor “dagdagelijks”,
gewone activiteiten. bv. Verkopen handelsgoederen, leveringen
Niet-recurrent: bedrijfsopbrengsten en kosten die uitzonderlijke activiteiten zijn.
2. Financiële activiteiten
Het gaat over kosten en opbrengsten die ontstaan uit financiële verrichtingen, bv.
bankkosten, betaalde interesten op geleed geld = financiële kosten
-> deze voorbeelden komen regelmatig voor, ze zijn dus recurrent
Niet-recurrente financiële kosten & opbrengsten
-> de moederonderneming verkopen, pakket aandelen, …
Al deze kosten en opbrengsten hebben betrekking op een welbepaalde periode, meeste
1 boekjaar (=periode van 12 maanden).
Aan het einde van die periode wordt het verschil gemaakt: opbrengsten – kosten
> 0 = winst
< 0 = verlies
Bij winst belastingen betalen. In mindering gebracht van het resultaat = winst na
belastingen.
2. De bestemming van het resultaat
Het resultaat wordt eerst bepaald: is er een winst of een verlies, en hoe groot?
Eens het te bestemmen resultaat van het boekjaar gekend is, volgt het sluitstuk in de
resultatenrekening, de resultaatverwerking.
Slechts bij het einde van het boekjaar wordt de eindbalans terug in evenwicht gebracht
door de resultatentoewijzing waarbij de winst of het verlies wordt opgenomen in de
eindbalans.
3. Boekingsregels van resultatenrekeningen
De boekingsregels worden afgeleid uit de boekingen op de rekeningen ‘kapitaal’
In geval van winst, zouden we de rekening Kapitaal crediteren. Aangezien de
opbrengsten de winst verhogen, crediteren we dan ook de opbrengstenrekeningen bij