Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
Cardiovasculair stelsel: bloed
11. Cardiovasculair stelsel
Bloeduitslag van een patiënt die een bloedstaal heeft afgegeven
Hematologie: het onderdeel dat is uitgevoerd – wat is onderzocht bij de patiënt
2e kolom: de waarden die gemeten worden in het bloed van de patiënt + 3 e kolom eenheden
4e kolom: ondergrens en bovengrens
Homeostase: tot zolang de waarde zich gaat bevinden tussen de boven en
onderwaarde, gaat er niets gebeuren omdat ons lichaam dan in een optimale
toestand gaat verkeren
Als de waarden van de patiënt die gemeten worden in de bloedstaal vallen binnen de
grenswaarden, dan functioneert patiënt optimaal
Interpretatie figuur:
- Trombocyten; onder de grenswaarde => er zijn te weinig trombocyten
Inhoudstabel
1. Functie van bloed
2. Samenstelling van bloed
3. Bloedplasma
4. Rode bloedcellen
5. Bloedgroepen
1
,Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
6. Witte bloedcellen
7. Bloedplaatjes
8. Stolling
11.1. Functies van het bloed
Nice to know: puur de functies
1. Transport !!
Bloed is ons transportmiddel: alles wordt verplaatst in ons lichaam dankzij de bloedbaan
We hebben buizen nodig: venen – arteriën
We hebben een pomp die alles gaat rondduwen nodig: hart
We hebben een transportmedium nodig: het bloed
- Opgeloste gassen, voedingstoffen, hormonen, afvalproducten
Gassen: zuurstof en CO2
Voedingsstoffen: opgenomen van darmkanaal naar bloed
Van bloed kan het afgevoerd worden naar lever voor verdere afwerking
Hormonen: insuline (vanuit endocrien weefsel in de pancreas) naar cellen voor toegang
glucose tot cel
Insulinehormoon moet vervoerd worden
Interne secretie: hormoonproducent gaat zijn hormonen afgeven aan intern
milieu en dan wordt dat meegenomen door de bloedbaan
Afvalstoffen: van bloedvaten naar nieren en dan uitscheiden
2. Stabilisering van de pH / interstitiële vloeistof – ionensamenstelling !!
pH heeft een nauwe marge van 7,35-7,45 en daarbinnen moet de pH gereguleerd worden,
dan gaan de processen optimaal functioneren
- Via diffusie wordt de ionensamenstelling bewaakt en gecontroleerd, want er is een continue
uitwisseling tussen enerzijds het bloedvat, interstitiële milieu en de cellen
Via diffusie tussen interstitiële vloeistoffen en bloed (Ca, Kalium ionen)
- Als de pH te hoog of te laag wordt, dan gaat het bloed een belangrijke functie gaan vervullen
in het vervoeren van het geproduceerde melkzuur om te gaan afvoeren o.a. via de nieren
Absorberen en neutraliseren van gevormde zuren (bij inspanning, geproduceerd
melkzuur)
3. Beperking vloeistofverlies bij verwonding
Als wij een wonde hebben aan ons lichaam en indien de bloedvaten geraakt zijn, dan loopt
het systeem leeg
Ons lichaam is er op bedacht om wonden t.h.v. bloedvaten zo snel mogelijk te gaan
herstellen
Welke factoren spelen daarbij een rol?
- Vervoer van enzymen / stollingsfactoren om stollingsproces op te starten
- Vervoer van bloedcellen voor propvorming bij beschadigde bloedvaten
4. Verdediging tegen gifstoffen, ziekteverwekkers !!
Ons lichaam wordt aangevallen door gifstoffen/ziekteverwekkers en wij moeten daar
weerstand tegenover gaan ontwikkelen
Weerstand wordt ontwikkeld door:
- Witte bloedcellen (WBC)
- Vervoer gevormde antistoffen naar de plaats van infectie
Ons bloed (bloedcellen en bloedbaan) spelen hier een belangrijke rol
5. Stabilisering van lichaamstemperatuur
- CFR1: homeostase
2
,Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
Warmte kan worden afgegeven om onder de huid te bloedvaten te gaan openzetten -> er
gaat meer bloed gaan doorstromen -> meer warmte wordt afgegeven
Bij koude gaan onze bloedvaten vernauwen -> er stroomt minder bloed door -> warmte
wordt binnenskamers gehouden
- Actieve skeletspieren leveren warmte
- Vervoer van warmte via de bloedbaan naar andere weefsels:
- Te hoog: naar huid – afgifte naar huid
- Te laag: voorkeur bloedstroom naar hersenen en warmte gevoelige organen
11.2. Samenstelling van het bloed
Wat kan ik door dit door te nemen?
1. Aangeven hoe je een verslag van een bloedanalyse moet bekijken
2. Op basis van de figuur een algemeen overzicht geven van de onderdelen van het bloed
3. Aangeven hoe de osmotische druk in de bloedvaten wordt opgebouwd
4. Onderscheid tussen een vene, arterie en pees geven om veneus bloed te prikken
5. Aangeven welke gelijkenissen en verschillen er ziin tussen veneus en arterieel bloed
6. Aangeven welke soort bloedafname je mag uitvoeren als bachelor
Samenstelling
Never forget
1) Plasma = het oplosmiddel
- Plasma Eiwitten (ET): 7%
- Ander opgeloste stoffen: 1%
- Water: 92%
Heel vloeibaar: transportcapaciteit
2) Vaste bloedbestanddelen
- 3 grote componenten
Bloedplaatjes (BP) = thrombocyten
Witte bloedcellen (WBC) = leucocyten
Rode bloedcellen (RBC) = erytrocyten
Deze 3 elementen zijn in oplossing gebracht in ons plasma
Vol bloed:
Alles zit erin
- Bloedplasma & vaste bloedbestanddelen
- Man: 5 – 6 liter
- Vrouw: 4- 5 liter
Soorten afname:
Naam van afname verwijst naar oorsprong van bloed
- Arterieel
Arterieel bloed: afgenomen uit een arterie
Arterie = een bloedvat dat bloed gaat vervoeren van het hart naar de organen toe =>
zuurstofrijk bloed (het orgaan gaat de zuurstof gaan verbruiken)
- Veneus
Veneus bloed: afgenomen uit een vene
3
, Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
Veneuze bloedvaten = bloedvaten die bloed gaan vervoeren van lichaam naar het hart
toe => zuurstofarm bloed
- Capillair (je weet nooit of je prikt aan arteriële zijde of capillaire)
Capillair bloed: afgenomen uit een klein capillair bloedvat
Gemeenschappelijke eigenschappen:
- Overal heeft het lichaam ongeveer dezelfde temperatuur rond de 38°C
- Bloed is 5 maal viskeuzer dan water
5 maal dikker dan water
Reden: er circuleren daar eiwitten in, ionen, bloedplasma en watermoleculen =>
interactie tussen eiwitten, bloedplasma en watermoleculen
Door deze bestanddelen is het dikker/stroperiger dan water, maar het blijft nog
altijd zeer vloeibaar
- pH: 7,35 – 7,45
Of prik nu arterieel of capillair is, pH zal hetzelfde zijn
Ook ionensamenstelling verschilt niet tussen arterieel – veneus – capillair
Arteriële bloedafname
4
Cardiovasculair stelsel: bloed
11. Cardiovasculair stelsel
Bloeduitslag van een patiënt die een bloedstaal heeft afgegeven
Hematologie: het onderdeel dat is uitgevoerd – wat is onderzocht bij de patiënt
2e kolom: de waarden die gemeten worden in het bloed van de patiënt + 3 e kolom eenheden
4e kolom: ondergrens en bovengrens
Homeostase: tot zolang de waarde zich gaat bevinden tussen de boven en
onderwaarde, gaat er niets gebeuren omdat ons lichaam dan in een optimale
toestand gaat verkeren
Als de waarden van de patiënt die gemeten worden in de bloedstaal vallen binnen de
grenswaarden, dan functioneert patiënt optimaal
Interpretatie figuur:
- Trombocyten; onder de grenswaarde => er zijn te weinig trombocyten
Inhoudstabel
1. Functie van bloed
2. Samenstelling van bloed
3. Bloedplasma
4. Rode bloedcellen
5. Bloedgroepen
1
,Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
6. Witte bloedcellen
7. Bloedplaatjes
8. Stolling
11.1. Functies van het bloed
Nice to know: puur de functies
1. Transport !!
Bloed is ons transportmiddel: alles wordt verplaatst in ons lichaam dankzij de bloedbaan
We hebben buizen nodig: venen – arteriën
We hebben een pomp die alles gaat rondduwen nodig: hart
We hebben een transportmedium nodig: het bloed
- Opgeloste gassen, voedingstoffen, hormonen, afvalproducten
Gassen: zuurstof en CO2
Voedingsstoffen: opgenomen van darmkanaal naar bloed
Van bloed kan het afgevoerd worden naar lever voor verdere afwerking
Hormonen: insuline (vanuit endocrien weefsel in de pancreas) naar cellen voor toegang
glucose tot cel
Insulinehormoon moet vervoerd worden
Interne secretie: hormoonproducent gaat zijn hormonen afgeven aan intern
milieu en dan wordt dat meegenomen door de bloedbaan
Afvalstoffen: van bloedvaten naar nieren en dan uitscheiden
2. Stabilisering van de pH / interstitiële vloeistof – ionensamenstelling !!
pH heeft een nauwe marge van 7,35-7,45 en daarbinnen moet de pH gereguleerd worden,
dan gaan de processen optimaal functioneren
- Via diffusie wordt de ionensamenstelling bewaakt en gecontroleerd, want er is een continue
uitwisseling tussen enerzijds het bloedvat, interstitiële milieu en de cellen
Via diffusie tussen interstitiële vloeistoffen en bloed (Ca, Kalium ionen)
- Als de pH te hoog of te laag wordt, dan gaat het bloed een belangrijke functie gaan vervullen
in het vervoeren van het geproduceerde melkzuur om te gaan afvoeren o.a. via de nieren
Absorberen en neutraliseren van gevormde zuren (bij inspanning, geproduceerd
melkzuur)
3. Beperking vloeistofverlies bij verwonding
Als wij een wonde hebben aan ons lichaam en indien de bloedvaten geraakt zijn, dan loopt
het systeem leeg
Ons lichaam is er op bedacht om wonden t.h.v. bloedvaten zo snel mogelijk te gaan
herstellen
Welke factoren spelen daarbij een rol?
- Vervoer van enzymen / stollingsfactoren om stollingsproces op te starten
- Vervoer van bloedcellen voor propvorming bij beschadigde bloedvaten
4. Verdediging tegen gifstoffen, ziekteverwekkers !!
Ons lichaam wordt aangevallen door gifstoffen/ziekteverwekkers en wij moeten daar
weerstand tegenover gaan ontwikkelen
Weerstand wordt ontwikkeld door:
- Witte bloedcellen (WBC)
- Vervoer gevormde antistoffen naar de plaats van infectie
Ons bloed (bloedcellen en bloedbaan) spelen hier een belangrijke rol
5. Stabilisering van lichaamstemperatuur
- CFR1: homeostase
2
,Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
Warmte kan worden afgegeven om onder de huid te bloedvaten te gaan openzetten -> er
gaat meer bloed gaan doorstromen -> meer warmte wordt afgegeven
Bij koude gaan onze bloedvaten vernauwen -> er stroomt minder bloed door -> warmte
wordt binnenskamers gehouden
- Actieve skeletspieren leveren warmte
- Vervoer van warmte via de bloedbaan naar andere weefsels:
- Te hoog: naar huid – afgifte naar huid
- Te laag: voorkeur bloedstroom naar hersenen en warmte gevoelige organen
11.2. Samenstelling van het bloed
Wat kan ik door dit door te nemen?
1. Aangeven hoe je een verslag van een bloedanalyse moet bekijken
2. Op basis van de figuur een algemeen overzicht geven van de onderdelen van het bloed
3. Aangeven hoe de osmotische druk in de bloedvaten wordt opgebouwd
4. Onderscheid tussen een vene, arterie en pees geven om veneus bloed te prikken
5. Aangeven welke gelijkenissen en verschillen er ziin tussen veneus en arterieel bloed
6. Aangeven welke soort bloedafname je mag uitvoeren als bachelor
Samenstelling
Never forget
1) Plasma = het oplosmiddel
- Plasma Eiwitten (ET): 7%
- Ander opgeloste stoffen: 1%
- Water: 92%
Heel vloeibaar: transportcapaciteit
2) Vaste bloedbestanddelen
- 3 grote componenten
Bloedplaatjes (BP) = thrombocyten
Witte bloedcellen (WBC) = leucocyten
Rode bloedcellen (RBC) = erytrocyten
Deze 3 elementen zijn in oplossing gebracht in ons plasma
Vol bloed:
Alles zit erin
- Bloedplasma & vaste bloedbestanddelen
- Man: 5 – 6 liter
- Vrouw: 4- 5 liter
Soorten afname:
Naam van afname verwijst naar oorsprong van bloed
- Arterieel
Arterieel bloed: afgenomen uit een arterie
Arterie = een bloedvat dat bloed gaat vervoeren van het hart naar de organen toe =>
zuurstofrijk bloed (het orgaan gaat de zuurstof gaan verbruiken)
- Veneus
Veneus bloed: afgenomen uit een vene
3
, Verpleegkundig redeneren en handelen inleidend 2
Veneuze bloedvaten = bloedvaten die bloed gaan vervoeren van lichaam naar het hart
toe => zuurstofarm bloed
- Capillair (je weet nooit of je prikt aan arteriële zijde of capillaire)
Capillair bloed: afgenomen uit een klein capillair bloedvat
Gemeenschappelijke eigenschappen:
- Overal heeft het lichaam ongeveer dezelfde temperatuur rond de 38°C
- Bloed is 5 maal viskeuzer dan water
5 maal dikker dan water
Reden: er circuleren daar eiwitten in, ionen, bloedplasma en watermoleculen =>
interactie tussen eiwitten, bloedplasma en watermoleculen
Door deze bestanddelen is het dikker/stroperiger dan water, maar het blijft nog
altijd zeer vloeibaar
- pH: 7,35 – 7,45
Of prik nu arterieel of capillair is, pH zal hetzelfde zijn
Ook ionensamenstelling verschilt niet tussen arterieel – veneus – capillair
Arteriële bloedafname
4