HEALTHY AGEING – FRAILTY
• Kalenderleeftijd zegt niet altijd iets over biologische leeftijd (= leeftijd weefsels, lichaamssystemen)
• Gezond verouderen is het proces van ontwikkelen en behouden van functionele mogelijkheden die
het welzijn bepalen op oudere leeftijd
o Intrinsieke capaciteit: elk systeem vermindert in functie naarmate men ouder wordt
▪ Intrinsic capacity includes all the physical and
mental capacities that an individual can draw on
▪ Voor een stuk afhankelijk van genetica
▪ Persoonlijke factoren kunnen invloed hebben:
geslacht, ras, vooropleiding, …
o Functionele mogelijkheden: doordat intrinsieke
capaciteiten dalen → ook de functie in de maatschappij van
de persoon daalt
▪ Functional ability combines the individual and his
environments, and the interaction between them
▪ Functioneel zijn in een bepaalde omgeving betekent niet perse dat men ook
functioneel is in een andere omgeving: bv niet goed te been zijn maar wonen in
Antwerpen waar veel openbaar vervoer is → persoon zal wel optimaal functioneren,
zelfde persoon leeft in afgelegen gebied → zal niet meer goed functioneren
• Intrinsieke capaciteit kan in functie van verschillende omgevingen bij verschillende mensen op
verschillende manieren evolueren in de tijd
o A: optimaal, enkel op einde leven deficits (heel snel op korte
termijn dalen)
o B: op bepaald moment in leven door ziekte: herstellen - iets
minder herstellen - heel sterk verminderen
o C: al van bij geboorte daling: mits interventie soms terug
stijging
• Geriatrie: nood aan juiste perceptie → curatief & preventief
o Focus op preventie
o Kijken naar P als een geheel
o Rekening houden met comorbiditeiten (multimorbiditeit) → prioriteren in behandeling
o Snel wandelsnelheid verliezen → meer sterfte
1. Synergistisch model: A + B + C: onder
drempel → aanmelden voor zorg (al vrij
laat)
2. Attribution model: chronisch probleem +
iets wat met nog niet kent → onderliggend
probleem moet aangepakt worden
3. Causal chain model: verergering oorzaak-
gevolg
4. Unmasking event model: probleem
manifesteert maar door goed functioneren
andere systemen: goed opgevangen →
probleem uit zich pas als systeem dat het
probleem opvangt uitvalt
1
, o Polyfarmacie: veel ouderen nemen verschillende soorten medicatie
▪ Communicatie tussen verschillende zorgverleners is niet altijd goed
▪ Men weet niet goed hoe de interactie is tussen verschillende medicatie
o Interdisciplinair karakter!
o Doel: functionele mogelijkheid zo hoog mogelijk houden door intrinsieke capaciteit zo vroeg
mogelijk zo hoog mogelijk te houden
• Kwetsbaarheid = frailty = fragiliteit
o Prognostisch model: men kan een uitspraak doen over hoe een persoon in de toekomst zal
evolueren op vlak van functioneel vermogen
o Met verhogen van de leeftijd is er een daling in verschillende systemen die een invloed
kunnen hebben op de functionele capaciteit: uithouding + kracht
▪ Actieve mensen verliezen meer uithouding dan inactieve mensen → snelheid
waarmee getrainden kracht verliezen is groter dan niet-getrainden → in absolute
waarde verliezen ze meer
▪ Actieve individuen hebben meer reserve capaciteit → incident: gedurende lange tijd
niet bewegen → onder drempel onafhankelijkheid → uithoudingsgetrainden zullen
zelfstandig kunnen blijven functioneren door reserves
o Frailty is de status van kwetsbaarheid voor plotse, disproportionele veranderingen in de
gezondheidstoestand
o Meerdere modellen om frailty te beschrijven
▪ Phenotype model: kent voornamelijk een biomedische insteek en wordt uitgedrukt
op een ordinale schaal = FRIED
▪ Cumulatieve deficit model: kent een biopsychosociale insteek en wordt uitgedrukt
op een continue schaal = ROCKWOOD
2
,Phenotype model
• 5 variabelen, dichotoom gescoorde (ja/nee)
o Gewichtsverlies
o Zelf gerapporteerde vermoeidheid
o Lage energie uitgave
o Trage wandelsnelheid
o Zwakke handknijpkracht
• 3 categorieën, gedefinieerd door de 5 variabelen
o 0 variabelen aanwezig → robuust
o 1 of 2 variabelen aanwezig → pre kwetsbaar
o ≥ 3 of 5 variabelen aanwezig → kwetsbaar
• Prevalentie kwetsbare ouderen in Fried studie = 7%
• Kwetsbare ouderen hadden meer ongewenste complicaties dan niet-kwetsbare ouderen
• Ouderen kunnen kwetsbaar zijn, onafhankelijk van beperkingen en comorbiditeiten
• Bemerkingen op het Fried model
o De prospectieve cohortstudie was initieel niet
opgezet om kwetsbaarheid te onderzoeken
o De 5 factoren werden gekozen omdat deze info
aanwezig was
o Andere potentieel belangrijke factoren werden
daarom niet bestudeerd
Cumulatieve deficit model
• Individuele deficits worden gecumuleerd
• Initieel bestond frailty index uit 92 items (dichotome scoring)
• Van 92 naar 30: ziekten, ADL beperking, cognitieve problemen, …
• Interpretatie: iemand met 7 deficits heeft een index scoren van 3/30 = 0,10
• Frailty index: frailty graderen ipv enkel als aan- of afwezig
o Continue modellen kunnen kwetsbare ouderen accurater identificeren voor interventies
o Frailty index heeft een groter discriminerend vermogen tussen middelmatige (pre-) en
ernstige frailty
o Frailty index is sterk gecorreleerd met risico op sterfte na 10j
• Fysiologische dysfunctie ≥ 3 systemen = sterke voorspeller frailty
• Aantal abnormale systemen zijn belangrijker dan afwijkingen in 1 systeem
• Frailty zorgt voor meer kans op ontwikkelen van stoornissen in ADL
Interventies
• Doel: reservecapaciteit vermeerderen
• Complexe interventies verhogen kan op blijvend thuiswonen, verlagen aantal vallen en nood voor
opname in RVT’s
• Oefenen heeft fysiologische effecten in het brein, endocrien systeem, immuunsysteem en spieren
o Kwetsbare ouderen die oefenen hebben betere mobiliteit
o Kwetsbare ouderen die oefenen hebben betere functie
o De meest kwetsbare ouderen ebben echter het minste baat bij oefenen
• Het vroegtijdig opsporen van kwetsbare ouderen is cruciaal om gepaste interventies op te starten
3
, Comprehensive Geriatric Assessment (CGA)
• Gouden standaard om frailty te detecteren
• Ouderen worden door meerdere multidisciplinaire specialisten gescreend
• Nadeel: tijd en noodzakelijke expertise
• Alternatieven:
o Fried (5 items; 1 domein: fysiek)
o Rockwood Frailty index (40 items versie; 3 domeinen: medisch, cognitief, functie)
o Groningen Frailty Index (15 items; 4 domeinen: fysiek, cognitief, sociaal, psychologie)
• Screening op verschillende manieren
o Wandelsnelheid < 0,8 m/s
o TUG > 10s
o PRISMA 7 (≥ 3: fragiel)
o Aanwezigheid van typische klinische uitingen
o GFI (≥ 4/15: matig tot ernstig fragiel)
o TFA (≥ 5/15: matig tot ernstig fragiel)
SARCOPENIE – FYSIEKE ACTIVITEIT (ACTIVE AGEING)
SARCOPENIE
• Initieel gedefinieerd als verlies aan spiermassa → spiermassa gaat achteruit als men ouder wordt
• MAAR niet enkel spiermassa → ook spierkracht en spierfunctie
o Studies
▪ Spiermassa was een primair diagnostisch criteria
▪ Nadien spierkracht verlies primair diagnostisch criteria
• Spierkracht neemt af met toenemende leeftijd
• Afname spierkracht is veel groter dan afname spiermassa
• Spierkracht daalt veel sterker dan spiermassa (afbeelding leg lean mass +
muscle strength)
• Verlies spiermassa is NIET de primaire oorzaak van spierkracht verlies
o Verlies spiermassa is geassocieerd met vermindering kracht bij
oudere volwassenen
o Spierkracht vermindert 2-5x meer dan spiermassa verlies
• Sarcopenie: fysieke kwetsbaarheid
4