Dierkunde
Kirinyana Laureys
UCLL LERARENOPLEIDING | HEVERLEE
0
,Inhoud
Taxonomie en systematiek ............................................................................................................................................... 2
Onderverdeling fylogenetische groep .......................................................................................................................... 2
Homologieën en analogieën ......................................................................................................................................... 3
Chemoheterotroof ........................................................................................................................................................ 3
Bloemenplantensystematiek en -taxonomie .................................................................................................................... 3
Dierlijke diversiteit ............................................................................................................................................................ 3
Morfologische complexiteit .......................................................................................................................................... 4
Histozoa triblastica/ triploblasten................................................................................................................................. 4
Lichaamssymmetrie ...................................................................................................................................................... 4
Invertebraten/ ongewervelden ........................................................................................................................................ 6
Parazoa.............................................................................................................................................................................. 6
Porifera/ sponzen...................................................................................................................................................... 6
Eumetazoa/ orgaandieren ................................................................................................................................................ 7
Radiata .......................................................................................................................................................................... 7
Cnidaria en ctenophora............................................................................................................................................. 7
Lophotrochozoa ............................................................................................................................................................ 8
Platyhelmintes/ platwormen .................................................................................................................................... 8
Rotifera/ radardiertje ................................................................................................................................................ 9
Mollusken/ weekdieren .......................................................................................................................................... 10
Annelida/ ringwormen ............................................................................................................................................ 11
Ecdysozoa .................................................................................................................................................................... 13
Nematoda/ rondwormen ........................................................................................................................................ 13
Arthropoda .............................................................................................................................................................. 14
Hexapoda/ insecten (sociale insecten) ................................................................................................................... 15
Epineurische dieren ........................................................................................................................................................ 19
Echinodermata/ stekelhuidigen .................................................................................................................................. 19
Chordata/ chordadieren ............................................................................................................................................. 20
Manteldieren/ Tunicata .......................................................................................................................................... 20
Schedellozen/ cephalochordata.............................................................................................................................. 20
Vertebrata/ gewervelden........................................................................................................................................ 20
Begrippenlijst .................................................................................................................................................................. 27
1
,Taxonomie en systematiek
Taxonomie
= Beschrijft, benoemd en deelt organismen in. (= dynamisch systeem)
Verschillende taxonomische indelingen kunnen naast elkaar bestaan (hierdoor kan een bepaalde soort niet
eenduidig geclassificeerd zijn.)
Komt door:
• Handhaven van verschillende criteria
• Verschillende wetenschappelijke inzichten
• Handhaven van een wetenschappelijk verouderd systeem
• Door elkaar gebruiken van verschillende systemen
Systematiek
Fenetisch systeem: Fylogenetisch systeem:
afstamming o.b.v. uitwendige kenmerken afstamming o.b.v. genetica (natuurlijke verwantschap)
Het 5-rijken systeem (achterhaald) 3-domeinen systeem, cladogram
Fouten:
• Verhoudingen kloppen niet, veel meer monera dan Door RNA-onderzoek stelde Carl Woese in 1977 vast dat
de rest al het leven in 3 domeinen te verdelen is:
• Protista is een rijk door uitsluiting Eubacteriën, archeabacteriën en eukaryoten
• Het geeft de indruk dat evolutie lineair is
• Betrouwbaar: grote hoeveelheden DNA
bestuderen door opkomst moleculaire biologie
• Juiste datering: betrekken van data van o.a.
fossielen
Fenetische indeling: Rijk; Afdeling; Klasse; Orde; Fylogenetische indeling: Rijk; Familie; Geslacht; Soort
Familie; Geslacht; Soort
Onderverdeling fylogenetische groep
Sommige taxa zijn zo ingeburgerd dat ze moeilijk af te schaffen zijn.
vb. klasse reptilia: voor cladisten is deze klasse onaanvaardbaar omdat de vogels ontbreken (het is parafyletisch)
Carolus Linnaeus: voerde de binominale (genus + soortnaam) nomencultuur voor levende wezens in.
Doel biologie: het ontdekken van de gezamelijke patronen die aan deze diversiteit ten grondslag liggen.
2
, Homologieën en analogieën
Homologie Analogie
2 structuren met een gezamelijke afkomst en 2 structuren met dezelfde/ gelijkende functie, maar kwamen
hoofdstructuur, maar hebben een andere functie. door convergente evolutie afzonderlijk tot stand
Dorsale vin:
• Haai: huidplooi niet verbonden met de ruggengraad
• Dolfijn: een bot dat verbonden is met de ruggengraad
Chemoheterotroof
= de meeste Bacteriën, Fungi en Animalia (anorganisch organisch)
Haalt de benodigde energie uit verbranding van eten en de vertering van koolstof (oxidatie van chemische
verbindingen/ chemosynthese).
Bloemenplantensystematiek en -taxonomie
Bedektzadigen, bloemplanten/ angiospermen: belangrijkste groep landplanten.
Dicotylen (tweezaadlobbigen) en monocotylen (eenzaadlobbigen)
Classificatie van
• Dicotylen: een groep planten die samen met de monocotylen de
Cronquist
bloemplanten vormen
Eudicotylen/ monocotylen
• Angiosperm Phylogeny Group: internationale plantkundigen die
APG-systeem systematiek de bedektzadigen bestudeert a.d.h.v. chloroplast-DNA →
bevestigd de oorsprong van de bloem vanuit éénassige voorouders
(euanthium theorie)
Dierlijke diversiteit
Protozoa: voorloper van de dieren (eencellig organisme dus leeft niet)
Levend organisme: moet voldoen aan de 3 voorwaarden van het leven (groeien, auto-organisatie en zelfreproductie)
Animalia: monofyletische groep f(embryologie en morfologie complexiteit)
Meercellig Zelfs de eenvoudigste animalia zoals sponzen zijn meercellig
Heterotroof Voedt zich door andere organismen te eten of hun eigen product.
Geen celwand Dierlijke cellen hebben geen celwand
Zenuwweefsel De aanwezigheid van dit weefsel zorgt ervoor dat animalia snel reageren
Beweging De meeste animalia hebben een spierstelsel
Voortplanting De meeste animalia planten seksueel voort
Extracellulaire matrix Eiwitten vb. Collageen verbind animalia en cellen samen voor extra stevigheid
Intercellulaire bruggen Een kanaal dat 2 elektrisch actieve cellen met elkaar verbindt
Speciale clusters van Een groep genen die verantwoordelijk zijn voor de segmentering van het lichaam bij
Hoxgenen vertebraten. Ze regelen bv. de ontwikkeling van de ledematen dat een dier krijgt.
Gelijkend rRNA Animalia hebben zeer gelijkende genen dat RNA coderen
2n Animalia zijn diploïd
3
Kirinyana Laureys
UCLL LERARENOPLEIDING | HEVERLEE
0
,Inhoud
Taxonomie en systematiek ............................................................................................................................................... 2
Onderverdeling fylogenetische groep .......................................................................................................................... 2
Homologieën en analogieën ......................................................................................................................................... 3
Chemoheterotroof ........................................................................................................................................................ 3
Bloemenplantensystematiek en -taxonomie .................................................................................................................... 3
Dierlijke diversiteit ............................................................................................................................................................ 3
Morfologische complexiteit .......................................................................................................................................... 4
Histozoa triblastica/ triploblasten................................................................................................................................. 4
Lichaamssymmetrie ...................................................................................................................................................... 4
Invertebraten/ ongewervelden ........................................................................................................................................ 6
Parazoa.............................................................................................................................................................................. 6
Porifera/ sponzen...................................................................................................................................................... 6
Eumetazoa/ orgaandieren ................................................................................................................................................ 7
Radiata .......................................................................................................................................................................... 7
Cnidaria en ctenophora............................................................................................................................................. 7
Lophotrochozoa ............................................................................................................................................................ 8
Platyhelmintes/ platwormen .................................................................................................................................... 8
Rotifera/ radardiertje ................................................................................................................................................ 9
Mollusken/ weekdieren .......................................................................................................................................... 10
Annelida/ ringwormen ............................................................................................................................................ 11
Ecdysozoa .................................................................................................................................................................... 13
Nematoda/ rondwormen ........................................................................................................................................ 13
Arthropoda .............................................................................................................................................................. 14
Hexapoda/ insecten (sociale insecten) ................................................................................................................... 15
Epineurische dieren ........................................................................................................................................................ 19
Echinodermata/ stekelhuidigen .................................................................................................................................. 19
Chordata/ chordadieren ............................................................................................................................................. 20
Manteldieren/ Tunicata .......................................................................................................................................... 20
Schedellozen/ cephalochordata.............................................................................................................................. 20
Vertebrata/ gewervelden........................................................................................................................................ 20
Begrippenlijst .................................................................................................................................................................. 27
1
,Taxonomie en systematiek
Taxonomie
= Beschrijft, benoemd en deelt organismen in. (= dynamisch systeem)
Verschillende taxonomische indelingen kunnen naast elkaar bestaan (hierdoor kan een bepaalde soort niet
eenduidig geclassificeerd zijn.)
Komt door:
• Handhaven van verschillende criteria
• Verschillende wetenschappelijke inzichten
• Handhaven van een wetenschappelijk verouderd systeem
• Door elkaar gebruiken van verschillende systemen
Systematiek
Fenetisch systeem: Fylogenetisch systeem:
afstamming o.b.v. uitwendige kenmerken afstamming o.b.v. genetica (natuurlijke verwantschap)
Het 5-rijken systeem (achterhaald) 3-domeinen systeem, cladogram
Fouten:
• Verhoudingen kloppen niet, veel meer monera dan Door RNA-onderzoek stelde Carl Woese in 1977 vast dat
de rest al het leven in 3 domeinen te verdelen is:
• Protista is een rijk door uitsluiting Eubacteriën, archeabacteriën en eukaryoten
• Het geeft de indruk dat evolutie lineair is
• Betrouwbaar: grote hoeveelheden DNA
bestuderen door opkomst moleculaire biologie
• Juiste datering: betrekken van data van o.a.
fossielen
Fenetische indeling: Rijk; Afdeling; Klasse; Orde; Fylogenetische indeling: Rijk; Familie; Geslacht; Soort
Familie; Geslacht; Soort
Onderverdeling fylogenetische groep
Sommige taxa zijn zo ingeburgerd dat ze moeilijk af te schaffen zijn.
vb. klasse reptilia: voor cladisten is deze klasse onaanvaardbaar omdat de vogels ontbreken (het is parafyletisch)
Carolus Linnaeus: voerde de binominale (genus + soortnaam) nomencultuur voor levende wezens in.
Doel biologie: het ontdekken van de gezamelijke patronen die aan deze diversiteit ten grondslag liggen.
2
, Homologieën en analogieën
Homologie Analogie
2 structuren met een gezamelijke afkomst en 2 structuren met dezelfde/ gelijkende functie, maar kwamen
hoofdstructuur, maar hebben een andere functie. door convergente evolutie afzonderlijk tot stand
Dorsale vin:
• Haai: huidplooi niet verbonden met de ruggengraad
• Dolfijn: een bot dat verbonden is met de ruggengraad
Chemoheterotroof
= de meeste Bacteriën, Fungi en Animalia (anorganisch organisch)
Haalt de benodigde energie uit verbranding van eten en de vertering van koolstof (oxidatie van chemische
verbindingen/ chemosynthese).
Bloemenplantensystematiek en -taxonomie
Bedektzadigen, bloemplanten/ angiospermen: belangrijkste groep landplanten.
Dicotylen (tweezaadlobbigen) en monocotylen (eenzaadlobbigen)
Classificatie van
• Dicotylen: een groep planten die samen met de monocotylen de
Cronquist
bloemplanten vormen
Eudicotylen/ monocotylen
• Angiosperm Phylogeny Group: internationale plantkundigen die
APG-systeem systematiek de bedektzadigen bestudeert a.d.h.v. chloroplast-DNA →
bevestigd de oorsprong van de bloem vanuit éénassige voorouders
(euanthium theorie)
Dierlijke diversiteit
Protozoa: voorloper van de dieren (eencellig organisme dus leeft niet)
Levend organisme: moet voldoen aan de 3 voorwaarden van het leven (groeien, auto-organisatie en zelfreproductie)
Animalia: monofyletische groep f(embryologie en morfologie complexiteit)
Meercellig Zelfs de eenvoudigste animalia zoals sponzen zijn meercellig
Heterotroof Voedt zich door andere organismen te eten of hun eigen product.
Geen celwand Dierlijke cellen hebben geen celwand
Zenuwweefsel De aanwezigheid van dit weefsel zorgt ervoor dat animalia snel reageren
Beweging De meeste animalia hebben een spierstelsel
Voortplanting De meeste animalia planten seksueel voort
Extracellulaire matrix Eiwitten vb. Collageen verbind animalia en cellen samen voor extra stevigheid
Intercellulaire bruggen Een kanaal dat 2 elektrisch actieve cellen met elkaar verbindt
Speciale clusters van Een groep genen die verantwoordelijk zijn voor de segmentering van het lichaam bij
Hoxgenen vertebraten. Ze regelen bv. de ontwikkeling van de ledematen dat een dier krijgt.
Gelijkend rRNA Animalia hebben zeer gelijkende genen dat RNA coderen
2n Animalia zijn diploïd
3