TOETSVRAGEN KLINISCHE PSYCHOLOGIE
1. Wat is klinische psychologie?
2. Afwijkend gedrag is pas afwijkend als het voldoet aan de criteria van Nevid. Wat zijn deze zes criteria?
3. Welke risicogroepen hebben meer kans op afwijkend gedrag?
4. Wat is het verschil tussen psychiatrie en psychopathologie?
5. “ik heb een ongeluk gehad 4 jaar geleden waardoor ik nu een hersenletsel heb. Ik ga elke week twee
keer naar de kinesist om te revalideren. Op die manier maak ik mijn leven zo draagbaar mogelijk.” Is
dit een voorbeeld van een statisch model, een medisch model of een leermodel?
6. Er zijn wetenschappers die vermoeden dat psychofarma een invloed kan zijn voor afwijkend gedrag.
Leg dit uit vanuit het biologisch perspectief.
7. Wat zijn de vier voorwaarden om te spreken van een stoornis volgens DSM-5?
8. Een behandelaar gebruikt beoordelingsmethoden om tot classificatie en mogelijke diagnoses te
komen. Geef twee voorbeelden beoordelingsmethoden + uitleg
9. Wie is de grondlegger van de psychoanalytische theorie?
10. “ik heb honger, maar ik denk dat ik nog wel een uurtje kan wachten. Ik zal pas over een uurtje zeuren
van de honger.” Welke persoonlijkheid is dit binnen de persoonlijkheidstheorie?
11. Wat is de grootste kritiek op Freud zijn theorie? Hoe zou dit kunnen komen?
12. Adler, die verder bouwde in een vorm van kritiek op de theorie van Freud had meer aandacht voor de
toekomst en doelen van mensen. Leg zijn theorie uit.
13. Geef drie verschillen met de eerste behandelmethode ooit en de moderne psychodynamische
therapie nu.
14. Mensen die vaak naar het ziekenhuis moeten voor chemo en daar misselijk van worden, worden vaak
al misselijk bij de eerste stappen in het ziekenhuis, zelfs als ze niet voor een chemokuur komen. Van
welke soort conditionering is dit een voorbeeld?
15. Bij het horen van een waterval het gevoel hebben alsof je naar het toilet moet. Van welke soort
conditionering is dit een voorbeeld?
16. Je weet dat je volgende week donderdag naar de dokter moet. Je voelt je angstig omdat je weet of
verwacht een spuitje te krijgen. Je bent dus al bang voor de pijn misschien gaat voelen. Van welke
soort conditionering is dit een voorbeeld?
17. Geef drie mogelijkheden hoe we gedrag kunnen afleren vanuit de operante conditionering.
18. Mijn patiënt is bang van liften. We gaan om haar angst af te nemen elke avond 1 uur lang voor en in
een lift staan. We houden dit gedurende twee weken aan. Welke vorm van exposure is dit?
19. Wat is het verschil tussen graduele exposure en shaping?
20. Wat is het voordeel aan vaardigheidstrainingen in groep?
21. Het is levensnoodzakelijk om door bijna iedereen in je omgeving gewaardeerd te worden - Het is
verschrikkelijk wanneer dingen niet zijn zoals je ze graag zou willen – Er is altijd een juiste, perfecte
oplossing voor menselijke problemen, en het is een ramp als deze oplossing niet gevonden wordt…
Waarvan zijn deze stellingen voorbeelden? Denk binnen de cognitieve theorie
22. Plaats de juiste vorm van attributiebias erbij:
a. Ik ben te laat begonnen dus daardoor slecht gepresteerd
b. Die test was veel te moeilijk opgesteld
c. Ik ga dat toch nooit kunnen, nooit!
d. Ik kan dat niet aan hier, ik kan dat niet
e. Ik ben nu te laat begonnen, maar volgende keer zal ik optijd beginnen waardoor het
waarschijnlijk wel zal lukken
f. Ik kan niet iets zwaars optillen, maar iets licht wel
23. “ik liep gisteren over straat en ik zag meteen dat er verderop een enge man met tattoos en piercings
liep. Ik werd meteen bang.” Welke vorm van bias/vertekening is dit?
24. Geef een voorbeeld van de typische denkfout ten gevolge van de kenmerkende processen bij
psychopathologie volgens Beck: overgeneralisatie.
25. Volgens de cognitieve therapie zijn er schema’s die vaststaan, vastliggen. Deze kunnen onderbroken
worden, maar dat is moeilijk. Dit is wat we proberen na te streven in de therapieën. Door welke twee
vormen kan een schema toch veranderen ook al is dat moeilijk?
26. Weet je ook waarom het veranderen van deze schema’s zo moeilijk gaat? Geef 3 redenen.
1. Wat is klinische psychologie?
2. Afwijkend gedrag is pas afwijkend als het voldoet aan de criteria van Nevid. Wat zijn deze zes criteria?
3. Welke risicogroepen hebben meer kans op afwijkend gedrag?
4. Wat is het verschil tussen psychiatrie en psychopathologie?
5. “ik heb een ongeluk gehad 4 jaar geleden waardoor ik nu een hersenletsel heb. Ik ga elke week twee
keer naar de kinesist om te revalideren. Op die manier maak ik mijn leven zo draagbaar mogelijk.” Is
dit een voorbeeld van een statisch model, een medisch model of een leermodel?
6. Er zijn wetenschappers die vermoeden dat psychofarma een invloed kan zijn voor afwijkend gedrag.
Leg dit uit vanuit het biologisch perspectief.
7. Wat zijn de vier voorwaarden om te spreken van een stoornis volgens DSM-5?
8. Een behandelaar gebruikt beoordelingsmethoden om tot classificatie en mogelijke diagnoses te
komen. Geef twee voorbeelden beoordelingsmethoden + uitleg
9. Wie is de grondlegger van de psychoanalytische theorie?
10. “ik heb honger, maar ik denk dat ik nog wel een uurtje kan wachten. Ik zal pas over een uurtje zeuren
van de honger.” Welke persoonlijkheid is dit binnen de persoonlijkheidstheorie?
11. Wat is de grootste kritiek op Freud zijn theorie? Hoe zou dit kunnen komen?
12. Adler, die verder bouwde in een vorm van kritiek op de theorie van Freud had meer aandacht voor de
toekomst en doelen van mensen. Leg zijn theorie uit.
13. Geef drie verschillen met de eerste behandelmethode ooit en de moderne psychodynamische
therapie nu.
14. Mensen die vaak naar het ziekenhuis moeten voor chemo en daar misselijk van worden, worden vaak
al misselijk bij de eerste stappen in het ziekenhuis, zelfs als ze niet voor een chemokuur komen. Van
welke soort conditionering is dit een voorbeeld?
15. Bij het horen van een waterval het gevoel hebben alsof je naar het toilet moet. Van welke soort
conditionering is dit een voorbeeld?
16. Je weet dat je volgende week donderdag naar de dokter moet. Je voelt je angstig omdat je weet of
verwacht een spuitje te krijgen. Je bent dus al bang voor de pijn misschien gaat voelen. Van welke
soort conditionering is dit een voorbeeld?
17. Geef drie mogelijkheden hoe we gedrag kunnen afleren vanuit de operante conditionering.
18. Mijn patiënt is bang van liften. We gaan om haar angst af te nemen elke avond 1 uur lang voor en in
een lift staan. We houden dit gedurende twee weken aan. Welke vorm van exposure is dit?
19. Wat is het verschil tussen graduele exposure en shaping?
20. Wat is het voordeel aan vaardigheidstrainingen in groep?
21. Het is levensnoodzakelijk om door bijna iedereen in je omgeving gewaardeerd te worden - Het is
verschrikkelijk wanneer dingen niet zijn zoals je ze graag zou willen – Er is altijd een juiste, perfecte
oplossing voor menselijke problemen, en het is een ramp als deze oplossing niet gevonden wordt…
Waarvan zijn deze stellingen voorbeelden? Denk binnen de cognitieve theorie
22. Plaats de juiste vorm van attributiebias erbij:
a. Ik ben te laat begonnen dus daardoor slecht gepresteerd
b. Die test was veel te moeilijk opgesteld
c. Ik ga dat toch nooit kunnen, nooit!
d. Ik kan dat niet aan hier, ik kan dat niet
e. Ik ben nu te laat begonnen, maar volgende keer zal ik optijd beginnen waardoor het
waarschijnlijk wel zal lukken
f. Ik kan niet iets zwaars optillen, maar iets licht wel
23. “ik liep gisteren over straat en ik zag meteen dat er verderop een enge man met tattoos en piercings
liep. Ik werd meteen bang.” Welke vorm van bias/vertekening is dit?
24. Geef een voorbeeld van de typische denkfout ten gevolge van de kenmerkende processen bij
psychopathologie volgens Beck: overgeneralisatie.
25. Volgens de cognitieve therapie zijn er schema’s die vaststaan, vastliggen. Deze kunnen onderbroken
worden, maar dat is moeilijk. Dit is wat we proberen na te streven in de therapieën. Door welke twee
vormen kan een schema toch veranderen ook al is dat moeilijk?
26. Weet je ook waarom het veranderen van deze schema’s zo moeilijk gaat? Geef 3 redenen.