Psychologie: peuterjaren (zie cursus voor aanvulling van alle puntjes)
Hoofdstuk 5 peuterjaren
5.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
- Grotere toename in lengte dan in breedte
- Gebruik skeletspieren:
- Grove motoriek: vlot leren lopen en tegelijk andere dingen doen.
- Fijne motoriek: met lepel eten, grote blokken stapelen, dikke bladzijden
omdraaien
- Zindelijkheidstraining
5.2 Ontwikkelingen in de waarneming en het mentaal functioneren
EINDE VAN DE SENSORIMOTORISCHE PERIODE:
- Tertiaire circulaire reacties: actief experimenteergedrag
- Geïnterioriseerde tertiaire reacties: inwendig experimenteren
- Relatief equilibrium: logica van het handelen
- Gestabiliseerd wereldbeeld: orthoscopisch waarnemen en gevestigde
objectpermanentie
- Structuren van ruimte en tijd
- Causaliteit
- Differentiatie tussen subject en object
BEGIN VAN HET PREOPERATIONEEL DENKEN:
Semiotische - of symboolfunctie = bekwaamheid tot representeren
- Uitgestelde imitatie
- Fantasiespel: doen alsof
- Tekenen
- Mentale beelden
- Taalgebruik
VERWARREN TUSSEN FANTASIE EN WERKELIJKHEID
EGOCENTRISME MET ALS KENMERKEN:
- Animisme (kind loopt tegen stoel = stoute stoel) - Juxtapositie
- Fysiognomisch - Magisch denken
- Artificialisme
- Finalisme
- Fenomenalistische causaliteit
Hoofdstuk 5 peuterjaren
5.1 Lichamelijke en motorische ontwikkeling
- Grotere toename in lengte dan in breedte
- Gebruik skeletspieren:
- Grove motoriek: vlot leren lopen en tegelijk andere dingen doen.
- Fijne motoriek: met lepel eten, grote blokken stapelen, dikke bladzijden
omdraaien
- Zindelijkheidstraining
5.2 Ontwikkelingen in de waarneming en het mentaal functioneren
EINDE VAN DE SENSORIMOTORISCHE PERIODE:
- Tertiaire circulaire reacties: actief experimenteergedrag
- Geïnterioriseerde tertiaire reacties: inwendig experimenteren
- Relatief equilibrium: logica van het handelen
- Gestabiliseerd wereldbeeld: orthoscopisch waarnemen en gevestigde
objectpermanentie
- Structuren van ruimte en tijd
- Causaliteit
- Differentiatie tussen subject en object
BEGIN VAN HET PREOPERATIONEEL DENKEN:
Semiotische - of symboolfunctie = bekwaamheid tot representeren
- Uitgestelde imitatie
- Fantasiespel: doen alsof
- Tekenen
- Mentale beelden
- Taalgebruik
VERWARREN TUSSEN FANTASIE EN WERKELIJKHEID
EGOCENTRISME MET ALS KENMERKEN:
- Animisme (kind loopt tegen stoel = stoute stoel) - Juxtapositie
- Fysiognomisch - Magisch denken
- Artificialisme
- Finalisme
- Fenomenalistische causaliteit