Nederlands Formuleren
Hoofdstuk 2
Tekstdoelen: Tekstvorm:
1. Informeren 1. Informatieve tekst
2. Uiteenzetten 2. Uiteenzetting
3. Beschouwen 3. Beschouwing
4. Betoog
4. Overtuigen
5. Activerende tekst
5. Activeren 6. Amuserende tekst
6. Amuseren
Hoofdstuk 5
Kernzin; zin met belangrijkste informatie in een alinea (vaak eerste, tweede of laatste zin)
Overgangszin; verbindt twee alinea’s aan elkaar
Structuuraanduiders; Witregel, inspringen, etc.
Kern; Middenstuk van de tekst
Slot; Tekststructuur; Signaalwoorden;
1. Samenvatting 1. Voordelen-nadelenstructuur 1. Opsommend verband
2. Conclusie 2. Stelling-argumentenstructuur 2. Tegenstellend verband
3. Afweging 3. Indelingsstructuur 3. Temporeel verband (tijdsvolgorde)
4. Oorzakelijk verband (oorzaak-gevolg)
4. Aanbeveling 4. Verklaringsstructuur
5. Toelichtend/uitleggend verband
5. Oproep 5. Probleem-oplossingsstructuur (voorbeeld)
6. Toekomstverwachting 6. Tijdsstructuur 6. Redengevend/verklarend verband
7. Onderzoeksstructuur 7. Doel-middel verband
8. Vraag-antwoordstructuur 8. Vergelijkend verband
9. Voorwaardelijk verband
10. Concluderend verband
11. Samenvattend verband
Hoofdstuk 6
Leesstrategieën;
1. Verkennend lezen
2. Nauwkeurig lezen
3. Studerend lezen
4. Zoekend lezen
5. Kritisch lezen
Hoofdstuk 10
Standpunt; uitspraak waarmee je als schrijver of spreker een mening geeft
Argumenten; uitleg over een standpunt
Tegenargument; argument om het standpunt te ontkrachten
Weerlegging; met argumenten aantonen dat iets niet juist is
Argumentatie; standpunt en het geheel van argumenten dat het standpunt ondersteunt en/of
ontkracht
Hoofdstuk 2
Tekstdoelen: Tekstvorm:
1. Informeren 1. Informatieve tekst
2. Uiteenzetten 2. Uiteenzetting
3. Beschouwen 3. Beschouwing
4. Betoog
4. Overtuigen
5. Activerende tekst
5. Activeren 6. Amuserende tekst
6. Amuseren
Hoofdstuk 5
Kernzin; zin met belangrijkste informatie in een alinea (vaak eerste, tweede of laatste zin)
Overgangszin; verbindt twee alinea’s aan elkaar
Structuuraanduiders; Witregel, inspringen, etc.
Kern; Middenstuk van de tekst
Slot; Tekststructuur; Signaalwoorden;
1. Samenvatting 1. Voordelen-nadelenstructuur 1. Opsommend verband
2. Conclusie 2. Stelling-argumentenstructuur 2. Tegenstellend verband
3. Afweging 3. Indelingsstructuur 3. Temporeel verband (tijdsvolgorde)
4. Oorzakelijk verband (oorzaak-gevolg)
4. Aanbeveling 4. Verklaringsstructuur
5. Toelichtend/uitleggend verband
5. Oproep 5. Probleem-oplossingsstructuur (voorbeeld)
6. Toekomstverwachting 6. Tijdsstructuur 6. Redengevend/verklarend verband
7. Onderzoeksstructuur 7. Doel-middel verband
8. Vraag-antwoordstructuur 8. Vergelijkend verband
9. Voorwaardelijk verband
10. Concluderend verband
11. Samenvattend verband
Hoofdstuk 6
Leesstrategieën;
1. Verkennend lezen
2. Nauwkeurig lezen
3. Studerend lezen
4. Zoekend lezen
5. Kritisch lezen
Hoofdstuk 10
Standpunt; uitspraak waarmee je als schrijver of spreker een mening geeft
Argumenten; uitleg over een standpunt
Tegenargument; argument om het standpunt te ontkrachten
Weerlegging; met argumenten aantonen dat iets niet juist is
Argumentatie; standpunt en het geheel van argumenten dat het standpunt ondersteunt en/of
ontkracht