Biologie samenvatting hoofdstuk 10, paragraaf 1:
Omgevingen die geschikt zijn voor fossilisatie zijn:
- Droge omgeving: die kunnen daar goed bewaard blijven.
- Koude omgeving: die kunnen daar goed bewaard blijven.
- In een zuur milieu.
- In uitgehard hars.
Resten en sporen van organismen uit een
ver verleden, zijn fossielen. De meeste
fossielen zijn afdrukken van organismen in
een gesteente. De fossilisatie begint vaak
met een aardverschuiving, waarbij een
bodemlaag een dood organisme luchtdicht
afgedekt. Mineralen uit de bodem vervangen
de organische stoffen in de botresten. Om die
reden zijn botten of schelpen die heel erg oud
zijn versteend wanneer onderzoekers ze
vinden.
Bepaling van de ouderdom van een fossiel kan op twee manieren:
- Relatieve ouderdomsbepaling: de ouderdom van fossielen wordt bepaald met
gidsfossielen (fossielen waarmee de ouderdom van een aardlaag ten opzichte van
een of meer andere aardlagen vast te stellen is.)
- Absolute ouderdomsbepaling: hierbij maakt men gebruik van het
radioactieve verval van elementen. De tijd waarin de helft van de
hoeveelheid isotopen (zijn verschillende vormen van een element,
elk met een andere atoommassa.) uit elkaar valt, heet de
halveringstijd.
Paragraaf 2:
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie, een verandering in een gen in het DNA.
Hierdoor ontstaat een genvariant, een allel. Veel mutaties verlagen de overlevingskans van
het organisme. Andere mutaties leiden tot het ontstaan van een nieuwe eigenschap: het
fenotype van het organisme verandert. Er kan een verschuiving plaats vinden in de
allelfrequentie, de procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de populatie.
Uiteindelijk planten bepaalde organismen met een bepaalde eigenschap zich niet meer voort
met de oude soortgenoten met een andere eigenschap en was er een nieuwe soort
ontstaan. Dit heet evolutie een geleidelijke verandering van soorten.
Een soort kan geleidelijk veranderen als gevolg van mutaties. Er zijn 3 vormen van mutaties:
- Puntmutatie: kleine veranderingen van een of enkele stikstofbasen veranderen.
- Genoommutatie: verdubbeling/verlies van een of meerdere chromosomen.
- Chromosoommutatie: een verandering van groter dan een base, vaak betreft het
zelfs meerdere genen.
Omgevingen die geschikt zijn voor fossilisatie zijn:
- Droge omgeving: die kunnen daar goed bewaard blijven.
- Koude omgeving: die kunnen daar goed bewaard blijven.
- In een zuur milieu.
- In uitgehard hars.
Resten en sporen van organismen uit een
ver verleden, zijn fossielen. De meeste
fossielen zijn afdrukken van organismen in
een gesteente. De fossilisatie begint vaak
met een aardverschuiving, waarbij een
bodemlaag een dood organisme luchtdicht
afgedekt. Mineralen uit de bodem vervangen
de organische stoffen in de botresten. Om die
reden zijn botten of schelpen die heel erg oud
zijn versteend wanneer onderzoekers ze
vinden.
Bepaling van de ouderdom van een fossiel kan op twee manieren:
- Relatieve ouderdomsbepaling: de ouderdom van fossielen wordt bepaald met
gidsfossielen (fossielen waarmee de ouderdom van een aardlaag ten opzichte van
een of meer andere aardlagen vast te stellen is.)
- Absolute ouderdomsbepaling: hierbij maakt men gebruik van het
radioactieve verval van elementen. De tijd waarin de helft van de
hoeveelheid isotopen (zijn verschillende vormen van een element,
elk met een andere atoommassa.) uit elkaar valt, heet de
halveringstijd.
Paragraaf 2:
Een nieuwe eigenschap begint met een mutatie, een verandering in een gen in het DNA.
Hierdoor ontstaat een genvariant, een allel. Veel mutaties verlagen de overlevingskans van
het organisme. Andere mutaties leiden tot het ontstaan van een nieuwe eigenschap: het
fenotype van het organisme verandert. Er kan een verschuiving plaats vinden in de
allelfrequentie, de procentuele verdeling van de allelen van een bepaald gen in de populatie.
Uiteindelijk planten bepaalde organismen met een bepaalde eigenschap zich niet meer voort
met de oude soortgenoten met een andere eigenschap en was er een nieuwe soort
ontstaan. Dit heet evolutie een geleidelijke verandering van soorten.
Een soort kan geleidelijk veranderen als gevolg van mutaties. Er zijn 3 vormen van mutaties:
- Puntmutatie: kleine veranderingen van een of enkele stikstofbasen veranderen.
- Genoommutatie: verdubbeling/verlies van een of meerdere chromosomen.
- Chromosoommutatie: een verandering van groter dan een base, vaak betreft het
zelfs meerdere genen.