Biologie samenvatting hoofdstuk 9 paragraaf 1:
Een karyogram is een overzichtelijk gerangschikt chromosomenportret. Je kunt in een
karyogram het geslacht en eventuele afwijkingen in het aantal chromosomen aflezen. De
aantallen chromosomen van een organisme beschrijf je in een karyotype; beide
geslachtschromosomen en eventuele afwijkingen noem je apart. Het karyotype van een
vrouw is 46,XX en van een man 46,XY Er is sprake van trisomie als je een extra
chromosoom hebt en je spreekt van een monosomie als je een chromosoom te weinig
hebt.
Bij de bevruchting versmelt de kern van een haploïde zaadcel
(n)met de kern van een haploïde eicel tot een diploïde zygote
(2n). Dan krijg je 23 chromosomen van je moeder en 23
chromosomen van je vader. Chromosomen bestaan uit DNA
opgerold rond steuneiwitten. Het DNA bevat de erfelijke
informatie over je eigenschappen. De chromosomen van je
vader en moeder vormen paren in de bevruchte eicel. Zo’n paar noem je homologe
chromosomen. Chromosomen bestaan direct na de S-fase uit twee chromatiden die aan
elkaar vastzitten bij het centromeer.
Een eigenschap is, strikt gezien, aangeboren als deze bij de geboorte al aanwezig was. Het
kan hierbij zowel erfelijke als niet-erfelijke eigenschappen of afwijkingen betreffen. Niet alle
erfelijke eigenschappen zijn namelijk aangeboren; soms uit een erfelijke eigenschappen zich
pas na tientallen jaren onder invloed van andere factoren. Ook zijn niet alle aangeboren
afwijkingen erfelijk. Vaak zijn eigenschappen of ziekten echter zowel aangeboren als erfelijk.
Voor veel eigenschappen, bijvoorbeeld karaktertrekken, is ook niet zeker of ze aangeboren
zijn of later worden aangeleerd. 'Aangeboren' wordt in deze context vaker bedoeld als 'voor
de geboorte al bepaald', ook als de eigenschap zich pas in een later ontwikkelingsstadium
uit. Ook in dit geval kan de eigenschap echter zowel een gevolg zijn van genetische
voorbestemming of van invloeden die in de baarmoeder al optraden.
Een gen is een stukje DNA met informatie voor een bepaalde eigenschap. Van het PKU-gen
bestaan twee varianten. Dergelijk genvarianten, met verschillende informatie, heten allelen.
Alle allelen samen vormen je genotype: jouw ‘DNA-software’ om je eigenschappen te
vormen. Het genotype is niet het enige dat je fenotype, je combinatie aan eigenschappen,
bepaalt. Ook het milieu heeft invloed. Soms is het duidelijk wat de grootste invloed op het
fenotype heeft. Je bloedgroep komt alleen maar door je allelen tot stand. En een beenbreuk
tijdens het voetballen was het gevolg van die wilde actie van je tegenstander: het milieu dus.
Kunnen hardlopen of pianospelen bijvoorbeeld, zijn emergente eigenschappen. Zo’n
eigenschap heeft iets extra’s dat niet valt af te leiden uit het DNA en ook niet uit de producten
die het oplevert: botten, spieren, zenuwen. Het zit hem in de combinatie en de
samenwerking van de factoren. Daarbij speelt je genotype een rol, maar ook je milieu en
jijzelf.
Via celdifferentiatie specialiseren cellen in een bepaalde taak. Zenuwcellen bijvoorbeeld,
krijgen een langgerekte vorm voor het versturen van boodschappen en de platte rode
bloedcellen zijn geschikt O 2 -transport door bloedvaten. Bepaalde cellen in de alvleesklier
maken het hormoon insuline, andere cellen maken verteringsenzymen. Deze verschillen
Een karyogram is een overzichtelijk gerangschikt chromosomenportret. Je kunt in een
karyogram het geslacht en eventuele afwijkingen in het aantal chromosomen aflezen. De
aantallen chromosomen van een organisme beschrijf je in een karyotype; beide
geslachtschromosomen en eventuele afwijkingen noem je apart. Het karyotype van een
vrouw is 46,XX en van een man 46,XY Er is sprake van trisomie als je een extra
chromosoom hebt en je spreekt van een monosomie als je een chromosoom te weinig
hebt.
Bij de bevruchting versmelt de kern van een haploïde zaadcel
(n)met de kern van een haploïde eicel tot een diploïde zygote
(2n). Dan krijg je 23 chromosomen van je moeder en 23
chromosomen van je vader. Chromosomen bestaan uit DNA
opgerold rond steuneiwitten. Het DNA bevat de erfelijke
informatie over je eigenschappen. De chromosomen van je
vader en moeder vormen paren in de bevruchte eicel. Zo’n paar noem je homologe
chromosomen. Chromosomen bestaan direct na de S-fase uit twee chromatiden die aan
elkaar vastzitten bij het centromeer.
Een eigenschap is, strikt gezien, aangeboren als deze bij de geboorte al aanwezig was. Het
kan hierbij zowel erfelijke als niet-erfelijke eigenschappen of afwijkingen betreffen. Niet alle
erfelijke eigenschappen zijn namelijk aangeboren; soms uit een erfelijke eigenschappen zich
pas na tientallen jaren onder invloed van andere factoren. Ook zijn niet alle aangeboren
afwijkingen erfelijk. Vaak zijn eigenschappen of ziekten echter zowel aangeboren als erfelijk.
Voor veel eigenschappen, bijvoorbeeld karaktertrekken, is ook niet zeker of ze aangeboren
zijn of later worden aangeleerd. 'Aangeboren' wordt in deze context vaker bedoeld als 'voor
de geboorte al bepaald', ook als de eigenschap zich pas in een later ontwikkelingsstadium
uit. Ook in dit geval kan de eigenschap echter zowel een gevolg zijn van genetische
voorbestemming of van invloeden die in de baarmoeder al optraden.
Een gen is een stukje DNA met informatie voor een bepaalde eigenschap. Van het PKU-gen
bestaan twee varianten. Dergelijk genvarianten, met verschillende informatie, heten allelen.
Alle allelen samen vormen je genotype: jouw ‘DNA-software’ om je eigenschappen te
vormen. Het genotype is niet het enige dat je fenotype, je combinatie aan eigenschappen,
bepaalt. Ook het milieu heeft invloed. Soms is het duidelijk wat de grootste invloed op het
fenotype heeft. Je bloedgroep komt alleen maar door je allelen tot stand. En een beenbreuk
tijdens het voetballen was het gevolg van die wilde actie van je tegenstander: het milieu dus.
Kunnen hardlopen of pianospelen bijvoorbeeld, zijn emergente eigenschappen. Zo’n
eigenschap heeft iets extra’s dat niet valt af te leiden uit het DNA en ook niet uit de producten
die het oplevert: botten, spieren, zenuwen. Het zit hem in de combinatie en de
samenwerking van de factoren. Daarbij speelt je genotype een rol, maar ook je milieu en
jijzelf.
Via celdifferentiatie specialiseren cellen in een bepaalde taak. Zenuwcellen bijvoorbeeld,
krijgen een langgerekte vorm voor het versturen van boodschappen en de platte rode
bloedcellen zijn geschikt O 2 -transport door bloedvaten. Bepaalde cellen in de alvleesklier
maken het hormoon insuline, andere cellen maken verteringsenzymen. Deze verschillen