Kwantitatieve methoden (16/20)
Module 1 Inleiding tot de statistiek
Beschrijvende statistiek
= Kan alleen worden gebruikt om gegeven te beschrijven die uit steekproef zijn verzameld
Inferentiële statistiek
= Stelt ons in staat om gegevens die uit steekproef verzameld zijn, te generaliseren naar populatie
Onderzoeksproces
1. Genereer onderzoeksprobleem Observeer de wereld of lees
2. Raadpleeg theorie
- Theorie
= Uitleg of set van principes die een breed fenomeen verklaart en die goed
onderbouwd is door herhaaldelijk te zijn getest
- Op populatie
= Theoretische groep waarover je conclusies wilt trekken
o Parameter: Vat populatie samen
3. Genereer hypothese
- Hypothese
= Vooropgestelde verklaring voor een vrij beperkt fenomeen of reeks waarnemingen
4. Verzamel data om hypothese te testen
- Dataset
- Op steekproef: Kleinere set van entiteiten uit populatie
o Statistiek: Vat steekproef samen
- Case
o = Gegevens uit één bron of van één of meerdere variabelen
- Variabele
o = Alles dat kan worden gemeten en dat kan verschillen (/veranderen/variëren)
tussen entiteiten of in tijd
Variabelen meten
4.1Variabelen
Kwalitatief Kwantitatief
Nominaal Interval
- Categorieën kunnen aan getallen - Rangordening
gekoppeld worden - Geen absoluut nulpunt
- Binair/dichotoom - Onderlinge afstand tss twee
- Bv Geslacht, diersoorten, kleuren opeenvolgende waarden is gelijk
- Meeteenheid
- Bv Graden Celsius, uitkomst psych test
,Ordinaal Ratio
- Rangordening - Rangordening
- Geen nulpunt - Absoluut nulpunt
- Afstand tss opeenvolgende - Onderlinge afstand tss twee
categorieën is niet gelijk opeenvolgende waarden is gelijk
- Geen meeteenheid - Bv Graden Kelvin, afstand, lengte
- Bv Likertschaal, opleidingsniveau
Discreet
- Aantal waarden voor variabele is
beperkt
- Gehele getallen
- Bv Aantal kinderen Geen 2,75 kinderen
Constructen = Kenmerken of eigenschappen OF
die niet direct kunnen gemeten worden Continu
- Verschil tss twee opeenvolgende
Onafhankelijke of afhankelijke variabelen waarden kan willekeurig klein worden
Discreet kan continu worden & andersom
4.2Hoe variabelen meten?
- Observationele studie / Correlationele studie
o Zegt niets over causaliteit
o Cross-sectioneel of longitudinaal
Op 1 bepaald moment over ≠ cases heen
o Correlatie Causaliteit
= Verband = Oorzaak-gevolg
- Experiment
o Controle conditie & experimentele conditie
o Quasi-experiment: 2 of meerdere populaties
, Module 2 Beschrijvende statistieken en Grafieken
Beschrijvende statistiek 3 zaken
1. Verdeling
- Frequentietabel
o Absolute waarde = Aantal keren dat waarde voorkomt
o Relatieve frequentie:
o Cumulatieve frequentie = Frequentie van alle waarden tem die waarde
o Cumulatief percentage = Getal dat aangeeft hoeveel % vd scores de
genoemde of lagere score heeft
o Opdelen in intervallen/klassen
Gelijke delen
Klassebreedte:
Ongeveer 10 (min. 5; max 15)
Niet overlappend (niet: 5-7 7-9)
Meestal veelvoud van 2 – 5 – 10 Moet beginnen op veelvoud
- Histogram/frequentiepolygoon
o Interval of ratio
o Balken grenzen aan elkaar
o Verticaal: absolute freq – Horizontaal: geobserveerde waarde
- Staafdiagram/taartdiagram
o Nominaal of ordinaal
- Scatterplot
Module 1 Inleiding tot de statistiek
Beschrijvende statistiek
= Kan alleen worden gebruikt om gegeven te beschrijven die uit steekproef zijn verzameld
Inferentiële statistiek
= Stelt ons in staat om gegevens die uit steekproef verzameld zijn, te generaliseren naar populatie
Onderzoeksproces
1. Genereer onderzoeksprobleem Observeer de wereld of lees
2. Raadpleeg theorie
- Theorie
= Uitleg of set van principes die een breed fenomeen verklaart en die goed
onderbouwd is door herhaaldelijk te zijn getest
- Op populatie
= Theoretische groep waarover je conclusies wilt trekken
o Parameter: Vat populatie samen
3. Genereer hypothese
- Hypothese
= Vooropgestelde verklaring voor een vrij beperkt fenomeen of reeks waarnemingen
4. Verzamel data om hypothese te testen
- Dataset
- Op steekproef: Kleinere set van entiteiten uit populatie
o Statistiek: Vat steekproef samen
- Case
o = Gegevens uit één bron of van één of meerdere variabelen
- Variabele
o = Alles dat kan worden gemeten en dat kan verschillen (/veranderen/variëren)
tussen entiteiten of in tijd
Variabelen meten
4.1Variabelen
Kwalitatief Kwantitatief
Nominaal Interval
- Categorieën kunnen aan getallen - Rangordening
gekoppeld worden - Geen absoluut nulpunt
- Binair/dichotoom - Onderlinge afstand tss twee
- Bv Geslacht, diersoorten, kleuren opeenvolgende waarden is gelijk
- Meeteenheid
- Bv Graden Celsius, uitkomst psych test
,Ordinaal Ratio
- Rangordening - Rangordening
- Geen nulpunt - Absoluut nulpunt
- Afstand tss opeenvolgende - Onderlinge afstand tss twee
categorieën is niet gelijk opeenvolgende waarden is gelijk
- Geen meeteenheid - Bv Graden Kelvin, afstand, lengte
- Bv Likertschaal, opleidingsniveau
Discreet
- Aantal waarden voor variabele is
beperkt
- Gehele getallen
- Bv Aantal kinderen Geen 2,75 kinderen
Constructen = Kenmerken of eigenschappen OF
die niet direct kunnen gemeten worden Continu
- Verschil tss twee opeenvolgende
Onafhankelijke of afhankelijke variabelen waarden kan willekeurig klein worden
Discreet kan continu worden & andersom
4.2Hoe variabelen meten?
- Observationele studie / Correlationele studie
o Zegt niets over causaliteit
o Cross-sectioneel of longitudinaal
Op 1 bepaald moment over ≠ cases heen
o Correlatie Causaliteit
= Verband = Oorzaak-gevolg
- Experiment
o Controle conditie & experimentele conditie
o Quasi-experiment: 2 of meerdere populaties
, Module 2 Beschrijvende statistieken en Grafieken
Beschrijvende statistiek 3 zaken
1. Verdeling
- Frequentietabel
o Absolute waarde = Aantal keren dat waarde voorkomt
o Relatieve frequentie:
o Cumulatieve frequentie = Frequentie van alle waarden tem die waarde
o Cumulatief percentage = Getal dat aangeeft hoeveel % vd scores de
genoemde of lagere score heeft
o Opdelen in intervallen/klassen
Gelijke delen
Klassebreedte:
Ongeveer 10 (min. 5; max 15)
Niet overlappend (niet: 5-7 7-9)
Meestal veelvoud van 2 – 5 – 10 Moet beginnen op veelvoud
- Histogram/frequentiepolygoon
o Interval of ratio
o Balken grenzen aan elkaar
o Verticaal: absolute freq – Horizontaal: geobserveerde waarde
- Staafdiagram/taartdiagram
o Nominaal of ordinaal
- Scatterplot