Inhoud
Table of Contents
Inhoud....................................................................................................................................................1
Domein A: vaardigheden........................................................................................................................2
Domein B. vorming.................................................................................................................................2
Domein C: verhouding............................................................................................................................8
Domein D: Binding................................................................................................................................16
Domein E: verandering.........................................................................................................................24
Bijlage 5 Politiek en het proces van politieke besluitvorming...............................................................26
,Domein A: vaardigheden.
Subdomein A3: onderzoeksvaardigheden.
Onderzoeksresultaten beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit.
Betrouwbaarheid: de mate waarin een meting onafhankelijk van toeval en vrij van willekeurige
meetfouten.
Validiteit: de onderzoeker meet wat hij wil meten.
Representativiteit: een dwarsdoorsnede van de totale onderzoekspopulatie.
Variabelen: afhankelijk en onafhankelijk
Correlatie: samenhang tussen twee variabelen
Causaliteit: een verband van oorzaak en gevolg
Interveniërende variabelen: staat tussen de afhankelijke en onafhankelijke variabelen
Domein B. vorming
Hoofdconcept Kernconcepten
Vorming Socialisatie/acculturatie
Identiteit
Cultuur
Politieke socialisatie
Ideologie
Binding Sociale cohesie
Cultuur
Sociale institutie
Verhouding Sociale ongelijkheid
Macht/gezag
Conflict/samenwerking
Verandering Individualisering
Democratisering
Rationalisering
Subdomein B1: socialisatie.
Culturen zijn tijd- en plaatsgebonden.
Ze zijn dynamisch van karakter omdat ze veranderingen in de politieke of economische situatie. Deze
nieuwe omstandigheden veranderingen worden weer onderdeel van de socialisatieprocessen. Door
de omgang met de groepen waartoe men behoort
Internaliseren: mensen maken de waarden, normen, opvattingen en gedragingen eigen.
Stereotypen: vaststaande beelden, generalisaties en veronderstelling over een groep mensen
Vooroordelen: meningen over een groep mensen, niet gebaseerd op feiten.
, Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee specifieke vormen van socialisatie
Enculturatie: het aanleren en verwerven van de (sub)cultuur van de samenleving waarin men
geboren wordt.
Acculturatie: het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die
waarin iemand is opgegroeid. Hierbij gaat het om individuen zoals buitenlanders met een eigen
cultuur die zich in Nederland vestigen en een nieuwe levensbeschouwing overnemen
De functies van socialisatie
De continuering van de cultuur van de samenleving. Mensen verwerven zich opvattingen,
waarden en normen die hen maken tot lid van een maatschappij met een bepaalde cultuur
waarmee zij zich onderscheiden van de leden van andere maatschappijen en culturen
De verandering van de cultuur van de samenleving en van groepen daarbinnen. Cultuur is
geen statisch verschijnsel. Door overname en door ontdekkingen en uitvindingen binnen de
eigen cultuur, worden er steeds nieuwe dingen aan de cultuur toegevoegd.
Identificatie met de eigen groep en cultuur door het overbrengen en overnemen van
cultuurgebonden waarden en normen.
Identiteitsontwikkeling van de individu gedurende de gehele levensloop.
Het reguleren van gedrag van mensen waardoor het gedrag beter voorspelbaar wordt en
het samenleven overzichtelijker.
Nature en nurture
Nature: biologische en erfelijke factoren, dus aangeboren.
Nurture: opvoeding en omgevingsfactoren, dus aangeleerd.
4.2 veranderingen in het belang van socialisatoren.
Na de 2e wereldoorlog verandert de functie en het belang van socialisatoren. Plaats van kerk en
vereniging worden onderwijs, peergroup en media
Van scholen wordt verwacht dat zij aandacht besteden aan opvoedingstaken, zoals de opvoeding in
waarden en normen en sociale vorming van kinderen.
De media is een socialisator. De informatie die gegeven wordt betreft niet alleen feiten, maar ook
een interpretatie van gebeurtenissen, waarden normen, rolmodellen, rolpatronen, vooroordelen en
stereotypen.
Framing: de manier waarop een onderwerp wordt gebracht, hoe het wordt ingekleed in uitgelegd.
Bijvoorbeeld journalisten het frame dat zij presenteren is hun perceptie van het onderwerp en zij
kunnen de manier waarop het publiek een onderwerp bekijkt beïnvloeden.
Table of Contents
Inhoud....................................................................................................................................................1
Domein A: vaardigheden........................................................................................................................2
Domein B. vorming.................................................................................................................................2
Domein C: verhouding............................................................................................................................8
Domein D: Binding................................................................................................................................16
Domein E: verandering.........................................................................................................................24
Bijlage 5 Politiek en het proces van politieke besluitvorming...............................................................26
,Domein A: vaardigheden.
Subdomein A3: onderzoeksvaardigheden.
Onderzoeksresultaten beoordelen op betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit.
Betrouwbaarheid: de mate waarin een meting onafhankelijk van toeval en vrij van willekeurige
meetfouten.
Validiteit: de onderzoeker meet wat hij wil meten.
Representativiteit: een dwarsdoorsnede van de totale onderzoekspopulatie.
Variabelen: afhankelijk en onafhankelijk
Correlatie: samenhang tussen twee variabelen
Causaliteit: een verband van oorzaak en gevolg
Interveniërende variabelen: staat tussen de afhankelijke en onafhankelijke variabelen
Domein B. vorming
Hoofdconcept Kernconcepten
Vorming Socialisatie/acculturatie
Identiteit
Cultuur
Politieke socialisatie
Ideologie
Binding Sociale cohesie
Cultuur
Sociale institutie
Verhouding Sociale ongelijkheid
Macht/gezag
Conflict/samenwerking
Verandering Individualisering
Democratisering
Rationalisering
Subdomein B1: socialisatie.
Culturen zijn tijd- en plaatsgebonden.
Ze zijn dynamisch van karakter omdat ze veranderingen in de politieke of economische situatie. Deze
nieuwe omstandigheden veranderingen worden weer onderdeel van de socialisatieprocessen. Door
de omgang met de groepen waartoe men behoort
Internaliseren: mensen maken de waarden, normen, opvattingen en gedragingen eigen.
Stereotypen: vaststaande beelden, generalisaties en veronderstelling over een groep mensen
Vooroordelen: meningen over een groep mensen, niet gebaseerd op feiten.
, Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee specifieke vormen van socialisatie
Enculturatie: het aanleren en verwerven van de (sub)cultuur van de samenleving waarin men
geboren wordt.
Acculturatie: het aanleren en verwerven van een andere cultuur of elementen daaruit, dan die
waarin iemand is opgegroeid. Hierbij gaat het om individuen zoals buitenlanders met een eigen
cultuur die zich in Nederland vestigen en een nieuwe levensbeschouwing overnemen
De functies van socialisatie
De continuering van de cultuur van de samenleving. Mensen verwerven zich opvattingen,
waarden en normen die hen maken tot lid van een maatschappij met een bepaalde cultuur
waarmee zij zich onderscheiden van de leden van andere maatschappijen en culturen
De verandering van de cultuur van de samenleving en van groepen daarbinnen. Cultuur is
geen statisch verschijnsel. Door overname en door ontdekkingen en uitvindingen binnen de
eigen cultuur, worden er steeds nieuwe dingen aan de cultuur toegevoegd.
Identificatie met de eigen groep en cultuur door het overbrengen en overnemen van
cultuurgebonden waarden en normen.
Identiteitsontwikkeling van de individu gedurende de gehele levensloop.
Het reguleren van gedrag van mensen waardoor het gedrag beter voorspelbaar wordt en
het samenleven overzichtelijker.
Nature en nurture
Nature: biologische en erfelijke factoren, dus aangeboren.
Nurture: opvoeding en omgevingsfactoren, dus aangeleerd.
4.2 veranderingen in het belang van socialisatoren.
Na de 2e wereldoorlog verandert de functie en het belang van socialisatoren. Plaats van kerk en
vereniging worden onderwijs, peergroup en media
Van scholen wordt verwacht dat zij aandacht besteden aan opvoedingstaken, zoals de opvoeding in
waarden en normen en sociale vorming van kinderen.
De media is een socialisator. De informatie die gegeven wordt betreft niet alleen feiten, maar ook
een interpretatie van gebeurtenissen, waarden normen, rolmodellen, rolpatronen, vooroordelen en
stereotypen.
Framing: de manier waarop een onderwerp wordt gebracht, hoe het wordt ingekleed in uitgelegd.
Bijvoorbeeld journalisten het frame dat zij presenteren is hun perceptie van het onderwerp en zij
kunnen de manier waarop het publiek een onderwerp bekijkt beïnvloeden.