HOOFDSTUK 4: DE BABYTIJD HOOFDSTUK 5: DE PEUTERTIJD
Piaget!!! belangrijke elementen zijn theorie: Pre-operationeel stadium
Geïnternaliseerde handelingen/ denkoperaties = gedachten - Symbolisch denken
Cognitieve structuur/ denkstructuur (schema’s) = geheel van denkoperaties - Ontstaan vermogen redeneren
o Tijdens groei = vernadering organisatie v kennis & inzicht - Gebruik begrippen neemt toe
ontwikkelen van steeds nieuwe structuren - Innerlijke representatie = beter & minder afhankelijk v directe
o Organisatie = proces van onderling verbinden van oorspronkelijk aparte activiteiten om de wereld te kunnen begrijpen
thema’s - Symboolgebruik = vermogen om een mentaal symbool, woord of object
Rijping = veranderingen in denken voltrekke zich vanzelf, mits de omgeving te gebruiken om iets weer te geven of te vervangen dat niet fysiek
genoeg stimulans biedt aanwezig is
Cognitieve conflicten = verschillen in ervaringen w- kinderen gedwongen om hun
denkstructuren uit te breiden of aan te passen Denkfouten conservatieproef
Conservatie = het inzicht dat kwantiteit niet gerelateerd is aan de opstelling & de
Hoe ontstaan nieuwe denkstructuren: 3 hoofdbegrippen uiterlijke verschijningsvormen van objecten
1. Assimilatie = toepassen van bestaande kennis om nieuwe ervaringen te begrijpen - Centratie = onvermogen van jonge kinderen om zich op meer dan 1
en in te voegen in bestaande denkstructuren aspect ve stimulus te concentreren
2. Accommodatie = proces waarbij denkstructuren worden aangepast aan de - Irreversibel denken = de mogelijkheid om op een mentaal niveau terug
realiteit te keren naar de oorspronkelijke toestand
1&2 = adaptatie = het denken past zich aan de omgeving aan en bij die aanpassingen houdt - Statisch gericht denken = geen transformatie kunnen maken
het rekening met de reeds verworven inzicht & begrip o 3bergen experiment
3. Equilibratieproces = doordat het denken zich aanpast aan de realiteit en de o Egocentrisme = onvermogen om zich in anderen te plaatsen
realiteit zich aanpast aan het denken ontstaat er een nieuw evenwicht
Klasse-inclusie experiment denkfout dat jonge kinderen maken wanneer het HOOFDSTUK 6: DE
Fasen in de ontwikkeling van het denken: een onderscheid moet maken tussen deel & geheel KLEUTERTIJD
1. Sensori-motorische baby Idem peuter visie van
2. Pre-operationeel peuter & kleuter Verwarring fantasie & werkelijkheid Vygotsky
3. Concreet- operationeel lagereschoolkind Typische kenmerken pre-operationeel denken:
4. Formele denkoperaties adolescent Antropomorfisme/ animisme = aan levensloze objecten dezelfde
Pre-operationele fase
eigenschappen geven als die het kind ook bij zichzelf ervaart
SENSORI-MOTORISCHE Fysiognomisch waarnemen = dingen lijken gezichten te hebben, vaak
Substadium 1: eenvoudige (ongecoördineerde) reflexen met dergelijke emotionele gelaagdheid
Substadium 2: eerste gewoonten & primaire circulaire reacties Artificialisme = alles wat kind denkt, lijkt door iemand te zijn gemaakt &
= schema’s die betrekking hebben op herhaling van interessante/ prettige dit w- aangedikt door verhaaltjes
reacties, gewoon omdat ze leuk zijn om te doen Finalisme = alles lijkt een bedoeling te hebben, dingen ontstaan n-
Substadium 3: secundaire circulaire reacties zomaar, ze zijn er steeds voor iets/ iemand
= schema’s die betrekking hebben op herhaalde acties die een gewenst resultaat Intuïtief denken = denken waarin tot uiting komt dat peuters/ kleuters
opleveren primitief redeneren en gretig kennis over de wereld verwerven. Willen
Substadium 4: coördinatie van secundaire circulaire reacties antwoorden op vele vragen
o Intentioneel gedrag o Fenomenalistisch causaliteitsdenken = geen oorzakelijke
o Objectpermanentie relaties leggen tss gebeurtenissen die zich toevallig of kort na
o Persoonspermanentie elkaar hebben voorgedaan
Substadium 5: tertiaire circulaire reacties o Vreemde associaties = rare associaties tussen dingen op basis
= het ontwikkelen van schema’s die betrekking hebben op de doelbewuste van een bepaalde gelijkenis
variatie van acties die tot gewenste resultaten leiden Magisch denken = kind denkt dat het een gebeurtenis, waar het normaal
Substadium 6: het begin van denken -> mentale representatie geen vat op heeft, kan beïnvloeden door een bepaalde handeling uit te
= innerlijke voorstellen van een gebeurtenis of object voeren of aan iets te denken