HOOFDSTUK 6: DE KLEUTERTIJD
HOOFDSTUK 4: DE BABYTIJD Initiatief <-> schuldgevoel (3-6j)
Erik Erikson = manier waarop kinderen naar zichzelf kijken verandert, ze zien in dat ze een zelfstandig persoon zijn mate HOOFDSTUK 7: DE LAGERE SCHOOLTIJD
0-18 maand vertrouwen <-> wantrouwen waarin ouders positief & negatief reageren Vlijt <-> minderwaardigheid
- Biedt verklaring voor manier waarop ze competenties ontwikkelen waarmee het
zichzelf, betekenis van gedrag begrijpen Zelfbeeld: nadenken over het ik kan omgaan met problemen met
- Hoe goed verzorgers op behoeften Zelfbeeld = de identiteit/ opvatting die zij van zichzelf als persoon hebben, ontwikkelt hier anderen om zich heen
reageren Kleuters overschatten zichzelf vaak! Succes = bekwaamheid
- Vertrouwen = hoop Moeilijkheden = mislukking &
Zelfbewustzijn & zelfkennis onvermogen
3 thema’s onderzoek over persoonlijkheid: Kleuter = duidelijke wil, koppigheidsfase zet zich verder maar gaat meer over positief willen & niet het “niet
1. Temperament (= individuele verschillen) willen” Een nieuw antwoord op de vraag “wie
a. = biologisch gefundeerde Kleuter = doelen opstellen vaak onrealistisch maar leert ernaartoe werken ben ik”
individuele reactiewijze die zich Slaagt er nog steeds n- in om zich lang met eenzelfde taak bezig te houden = typerend voor de lagere schoolleeftijd
op heel jonge leeftijd Psychologische
manifesteert en in de loop der tijd Zelfkennis heeft 2 bronnen: zelfbeschrijvingen die
een zekere stabiliteit vertoont 1. Het beeld dat anderen over je hebben verwijzen naar eigen karakter
b. Thomas & Chess: grondleggers 2. Hetgene wat je zelf weet & wat je over jezelf ontdekt en niet enkel naar fysieke
temperamentonderzoek Zelfkennis w- uitgebreider & verfijnder eigenschappen
c. Goodness of fit Gedifferentieerder beeld dat ze
d. Poorness of fit: Genderidentiteit van zichzelf hebben =
gedragsproblemen door Genderrol = de verwachtingen binnen een bepaalde cultuur tov mannen/ vrouwen ontdekken dat ze in het ene
discrepantie tss kindmerken en de Genderrolgedrag = het scala aan gedragingen dat aan de genderrol invulling geeft beter zijn dan in het andere
eisen vd omgeving Biologische eigenschappen
e. Bates had interesse in factoren Psychologische eigenschappen Zelfbeeld -> w- verdeeld in 3 persoonlijke
die tot gedragsproblemen leiden - & één intellectueel domein
> coercion model In loop 2de levensjaar = weten of ze jongen/ meisje zijn - Uiterlijk - Relaties met
2. Structuur vd persoonlijkheid Op 3-jarige leeftijd onderscheiden ze speelgoed & beroepen leeftijdsgenoten
3. Onderliggende processen, - Fysieke vermogens
psychofysiologische processen BIOSOCIALE BENADERING = de biologisch vastgelegde verschillen vormen de basis voor het gedragsleren dat
vanaf de geboorte plaatsvindt (kritische periodes: conceptie, zwangerschap, 1 ste 3 levensjaren & puberteit) Sociale vergelijking = het verlangen om je
Genderverschillen meisjes & jongens vaak eigen gedrag, vermogens, expertise en
anders behandelt sinds de geboorte PSYCHOANALYTISCHE THEORIE = Freud valt de kleutertijd samen met de fallische fase = genitale seksualiteit meningen te beoordelen door ze te
Genderverschillen & genderrollen (oedipuscomplex) vergelijken met die van anderen
Gender= besef mannelijk of vrouwelijk te zijn Identificatie = het proces dat op gang komt om dit probleem op te lossen (ouders imiteren en zo attitudes &
waarden overnemen) Eigenwaarde: het beeld dat kinderen van
Kritiek: gebrek aan wetenschappelijke onderbouwen, eerder dan 5j & éénoudergezin zichzelf ontwikkelen
Eigenwaarde= de algemene en specifieke
SOCIALE LEERTHEORIE= geslachtsgebonden gedrag komt tot stand door de invloed die de sociale omgeving op positieve/ negatieve manier waarop
HOOFDSTUK 5: DE PEUTERTIJD
het kind uitoefent beloningen kinderen naar zichzelf kijken, het oordeel
Egocentrisch denken -> n- in staat
experiment Harlow & Rhesusaapjes dat ze over zichzelf vellen -> emotioneler
zichzelf te verplaatsen in het perspectief
georiënteerd dan zelfbeeld
van een ander
Autonomie, zelfstandigheid & zelf DE COGNITIEVE ONTWIKKELING = bij het ontstaan van geslachtsgebonden gedrag staan de cognitieve processen
centraal -> cognitieve zelfcategorisering & daarna kan omgeving invloed uitoefenen = belangrijke ontw tijdens lager
dingen kunnen
Genderschema = cognitief kader waarbinnen genderrelevante info w- geordend intensiever om met leeftijdsgenoten &
Vanuit veilige hechting: voldoende
Verkrijgen van deze kennis in 3 stadia veel tijd om zichzelf te vergelijken met
basisvertrouwen om op onderzoek te
1. De basis geslachtsidentiteit – 3j anderen & over zichzelf na te denken
gaan
Autonomie <-> schaamte 2. De geslachtsstabiliteit – 4j
3. Geslachtsconstantie – 6/7j