HOOFDSTUK 5: DE PEUTERTIJD
HOOFDSTUK 4: DE BABYTIJD Betere lichaamsbeweging/ psychomotorische ontwikkeling HOOFDSTUK 7: DE LAGERE SCHOOLTIJD
Spel w- complexer naarmate ze ouder worden Bewegingsspelen: rolschaatsen, zwemmen, …
Verschillende soorten spelen: Verschillende spelen: groeien uit tot een hobby
Bewegingsspel Bewegingsspel/ functiespel = spelen met materiaal
Spelen met dingen Fantasiespel = rollenspelen over gebeurtenissen die zich in hun fantasie afspelen en Functie & fantasiespelen = minder belangrijk
Vrije spelvormen bootsen de volwassenwereld om hen heen na = zeer belangrijk voor verwerken van
Spelen met taal emoties Constructie- en groepsspelen komen meer aan bod
Fantasiespel = symbolisch spel o Wensen vervullen & doelstellingen bereiken
Spelregels -> sociaal spel o Emotioneel moeilijke situaties verwerken & herbeleven in minder stresserendere Denkspelen = populair
vorm
Spelen = noodzakelijk voor de ontwikkeling o Angstaanjagende situaties kunnen w- voorbereid Associatief & coöperatief spel= spelen heel veel
Imitatiespelen = geobserveerd gedrag zo goed mogelijk nadoen samen en naarmate het kind ouder w- richt het zich
Bij baby’s -> bewegingsspel Receptieve spel = peuter luistert naar eenvoudige verhaaltjes, prentjes, … steeds meer naar leeftijdsgenoten
- 1ste bewegingsspel = oefenspel Constructiespel = constructief omgaan met materiaal
- Plezier aan bewegen Functioneel spel = bewegingen gericht op eigen lichaam, kijken, exploreren Groepsspelen = aanvaarding & erkenning hiervan =
- Bewegingsspel zonder materiaal -> eigen Toekijkend spel = kijken naar andere kinderen en interesse in die activiteiten zonder te belangrijke stappen, leren spelen volgens de regels
handen, vingers, lichaam participeren en belangrijke oefening voor het latere functioneren
- Bewegingsspel met materiaal -> Solitair spel = de peuter speelt alleen en onderneemt geen pogingen om contact met in de maatschappij
voorwerpen vastnemen en heen & weer anderen te zoeken
bewegen Parallelspel = kinderen spelen met hetzelfde materiaal/ doen dezelfde activiteit maar Experimenteer & constructiespelen = ervaring met
- Handelingen herhalen om bewegingen te zonder enige vorm van interactie of samenwerking allerlei materiaal, constructiemateriaal zet kind aan
oefenen Associatief spel = kinderen spelen samen, zonder gemeenschappelijke taak/ rol of doel tot denken, experimenteren en zoeken naar
- 18m: de ene blok op de andere zetten = Coöperatief spel = kinderen zijn samen bezig & er is een samenwerking & coördinatie van oplossingen & bevordert zo de handvaardigheid van
constructieve bezigheid met materiaal rollen en materiaal, stemmen activiteiten op elkaar af om een gemeenschappelijk doel te het kind
bereiken
Nog geen sprake van samenspel en peuter is het liefst op zichzelf bezig in dezelfde ruimte. Vooral
sprake van toekijkend, parallelspel en solitair spel
HOOFDSTUK 6: DE KLEUTERTIJD
Enorme exploratiedrang, al spelend leren
Kenmerken spel kleuter:
Keuzevrijheid & ongedwongen karakter van bezig zijn
Kind beleeft plezier HOOFDSTUK 8: DE ADOLESCENTIE
Dagdagelijkse wereld & fantasiewereld zijn tegelijk aanwezig Ontwikkelingsaspecten maken plaats voor sport &
Grens tussen spelen & werken is niet altijd eenvoudig te maken hobby
Sociale aspect w- steeds belangrijker & samen
Nog vaak bewegingsspel maar ook constructiespel ontwikkeld verder optrekken met vriendengroep wint meer belang
dan spelen in groep
Doe-aslof-spelletjes komen nog vaak voor
Fantasiespel proberen kleuters steeds meer samen te spelen & zo met rollen te werken rolbegrip is primitief
Coöperatief & associatief spel komen meer en meer voor
Eenvoudig regelspel sociale vaardigheden die w- ingeoefend