BELANGRIJKE PERSONEN SOCIOLOGIE
Hst 1 Max weber - Typologie van sociaal handelen: instrumenteel, waarde rationeel, affectief, traditioneel,
reflexief
- Goed sociologisch werk voldoet aan zinadequaatheid en causale adequaatheid:
Causale adequaatheid: men kan een kansuitspraak doen met betrekking tot
oorzaak-gevolgrelaties
Zin- of subjectief adequaatheid: de gemaakte verbanden zijn in overeenstemming
met onze gewoonlijke denk- en voelpatronen
Hst 2 Tylor - Antropoloog
- Eerste ontwikkeling van het cultuurbegrip: was de eerste die een definitie van cultuur
vormde (eind 19de eeuw)
- Stelt dat het georganiseerde samenleven het resultaat is van wetmatigheden:
gedragskeuzen zijn dus niet individueel maar wel collectief
Hst 2 Kroeber - Tweede ontwikkeling van het cultuurbegrip: De sfeer van het culturele wordt
gekenmerkt door accumulatie en niet door evolutie (biologie: evolutie/cultuur:
accumulatie)
Hst 2 White - Derde ontwikkeling van het cultuurbegrip: de mens is een symbolisch wezen, dit
verschillen we van dieren.
Hst 2 Alfred schütz - Derde ontwikkeling van het cultuurbegrip: de materiële wereld waarin we leven is de
dominante realiteit, deze wordt doordrongen door andere realiteiten (eindige
zingevingsdomeinen). De communicatie tussen de materiële wereld en de
zingevingsdomeinen gebeurt met behulp van symbolen.
Hst 2 Kluchhohn - Vierde ontwikkeling van het cultuurbegrip:
Cultuur is afhankelijk van biologische kenmerken en van de omgeving waarin
mensen leven
Cultuur is een antwoord op de eisen die de fysische omgeving stelt om te overleven
Cultuur maakt het niet mogelijk om exacte voorspellingen te maken van het
menselijke gedrag (instinctmatig gedrag = veel meer voorspelbaar)
Hst 2 Barth - Antropoloog
- Dynamische visie etnieën: ziet een etnische groep als een vorm van sociale organisatie
en cultuur is de ‘inhoud’ die gebruikt kan worden om verschillen met andere groepen
aan te duiden. Cruciaal is het afgrenzen van de ene groep van de andere groep. Dit is
het continu en actief proces van het vormen, onderhouden en afbreken van etnische
grenzen.
Hst 3 Cooly - Amerikaanse socioloog
- Onderscheid tussen primaire en secundaire groepen
Hst 3 Simmel - Duitse socioloog
- Analyse van de dyade en de tryade
Hst 3 Max Weber - Definitie macht: “macht berust op de waarschijnlijkheid dat een actor binnen een
sociale relatie in staat is zijn/haar wil op te leggen niettegenstaande weerstand van de
medeactor”
- Drie types van autoritieit (bureaucratie)
Traditionele autoriteit = machtsuitoefening wordt als legitiem beschouwd omdat ze
verankerd ligt in het geloof van de onaantastbaarheid van tradities leidt tot
stabiele en particularistische beheersingssystemen
Charismatische autoriteit = gebaseerd op een intense verering van personen
leidt tot onstabiele beheersingssystemen
Rationeel-legale autoriteit = gebaseerd op het geloof in de geldigheid van het recht
leidt tot precieze en universele beheersingssystemen
Hst 3 Ralph linton - Maakt een onderscheid tussen twee vormen van status
Toegeschreven status = positie die een individu ontleent aan bijvoorbeeld zijn/haar
afkomst, geslacht, etniciteit
Verworven status = wordt door de persoon zelf op basis van prestatie verworven
Hst 3 Lammers - Organisatiesocioloog die een onderscheid maakt tussen 4 basisgroepen binnen een
formele organisatie
Topleiding = toezien of organisatieleden conform het organisatie-ontwerp handelen
De loyale elite = staat topleiding bij in hun taken
De gewone organisatiegenoten = de andere organisatieleden binnen een bedrijf
De inheemse elite = informele leiders die optreden namens de gewone
organisatiegenoten
Hst 4 Malinowski - Onderscheid tussen primaire en secundaire instituties
, Primair = voorzieningen of instituties die bevoegdheden bevredigen, zoals voeden,
reproduceren, ontspanning, …
Secundair = instituties die leiden tot de integratie van de primaire instituties
Hst 4 Berger en - Vertrekken uit het standpunt dat elke vorm van sociaal samen handelen een menselijk
Luckmann product is
- Instituties blijven voortbestaan in verschillenden fases
Externalisatie van menselijke praxis = mensen wijzigeng de natuurlijke omgeving
waarin ze leven (ingrijpen in de externe omgeving = praxis) het ingrijpen in de
natuur heeft een invloed op de wijze waarop mensen met elkaar samenleving, zo
ontstaan er samenhandelingspatronen of structuren
Objectivatie: voor nieuwe generaties lijken deze organisatiepatronen en
handelingsvromen een objectieve werkelijkheid want zijn hebben de aanpassing
niet meegemaakt
Legitimatie: de instituties worden als wettig en wenselijk ervaren (kan op 4 niveaus)
internalisatie: institutionele regelingen, worden door de leden van de samenleving
geïnternaliseerd
Hst 4 George H. Mead - Mind, self and society: from the standpoint of a social behaviorist
Evolutionair perspectief: bewustzijn
Ontologisch perspectief: zelfbewustzijn
Me, I and Self
Hst 4 Jean Piaget - Zwitserse kinderpsycholoog
- Ontwikkelen van het denken bij kinderen
Het sensorimotorische stadium: kinderen zien de wereld vanuit hun
eigenperspectief en hebben nog geen objectpermanentie ontwikkeld
Het preperationele stadium: mogelijkheid om symbolen te gebruiken, maar nog
niet concepten zoals snelheid, volume, aantallen
Concreet-operationele stadium: redeneren, maar gebonden aan concrete zaken +
rol van andere innemen
Abstract of formeel operationele stadium: abstract denken, begrippen gebruiken,
besluiten maken, regels gebruiken (niet elk individu zal fase 4 bereiken)
Hst 4 Sigmund Freud - Weense arts
- Werking van het onbewuste
- Psychoanalyse = techniek die als doel heeft inzicht te verkrijgen in het emotionele leven
van mensen door hen vrij te laten praten over hun emoties
Hst 4 Margaret Mead - Behoort tot de culture-and-personality school
- De culturele organisatie van een samenleving heeft een invloed op de ontwikkeling van
de persoonlijkheid
- Belangrijke studies:
Coming of age in Samoa: problemen rond adolescentie en puberteit komen niet
voor in Samoa
Sex and temperament in three primitive societies: relatie tussen man en vrouw
verschilt duidelijk in andere samenlevingen dan de westerse gewoontes
Hst 4 Charles Horton - Looking-glass-self: vorming van het zelfbeeld
Cooly Stellen ons de wijze voor waarop we denken dat andere ons zien, waarnemen en
evalueren
Interpreteren van reacties en maken besluiten over de wijze waarop anderen ons
interpreteren
We ontwikkelen een zelfbeeld of een zelfconcept obv de evaluaties van de anderen
Hst 4 sulloway - Eerstgeborenen en later geborenen
Eerstgeborenen = eerder conservatief/ later geborenen eerder progressief
Eerstgeborenen = sterker, groter en intellectueel hoger ontwikkeld dan de jongere
broers en zussen
Later geborenen = opzoek naar kansen en gelegenheden om zichzelf te
onderscheiden van hun oudere broers of zussen
Later geborenen = ontwikkelen attitudes die gericht zijn op verandering en
tegengesteld zijn aan het aanvaarden van autoriteit
Hst 4 Freese, Powell, - Spreken stellingen van Sulloway tegen
Steelman = het mogelijke effect van geboorterang mag niet beschouwd worden als een
overheersend effect. Om de impact van de geboorterang na te gaan moet men de
houding van de samenleving tegenover eerstgeborenen innemen.
Hst 4 Melvin kohn - Naar gelang van de aard en de eisen van het beroepsleven van de vader, worden
Hst 1 Max weber - Typologie van sociaal handelen: instrumenteel, waarde rationeel, affectief, traditioneel,
reflexief
- Goed sociologisch werk voldoet aan zinadequaatheid en causale adequaatheid:
Causale adequaatheid: men kan een kansuitspraak doen met betrekking tot
oorzaak-gevolgrelaties
Zin- of subjectief adequaatheid: de gemaakte verbanden zijn in overeenstemming
met onze gewoonlijke denk- en voelpatronen
Hst 2 Tylor - Antropoloog
- Eerste ontwikkeling van het cultuurbegrip: was de eerste die een definitie van cultuur
vormde (eind 19de eeuw)
- Stelt dat het georganiseerde samenleven het resultaat is van wetmatigheden:
gedragskeuzen zijn dus niet individueel maar wel collectief
Hst 2 Kroeber - Tweede ontwikkeling van het cultuurbegrip: De sfeer van het culturele wordt
gekenmerkt door accumulatie en niet door evolutie (biologie: evolutie/cultuur:
accumulatie)
Hst 2 White - Derde ontwikkeling van het cultuurbegrip: de mens is een symbolisch wezen, dit
verschillen we van dieren.
Hst 2 Alfred schütz - Derde ontwikkeling van het cultuurbegrip: de materiële wereld waarin we leven is de
dominante realiteit, deze wordt doordrongen door andere realiteiten (eindige
zingevingsdomeinen). De communicatie tussen de materiële wereld en de
zingevingsdomeinen gebeurt met behulp van symbolen.
Hst 2 Kluchhohn - Vierde ontwikkeling van het cultuurbegrip:
Cultuur is afhankelijk van biologische kenmerken en van de omgeving waarin
mensen leven
Cultuur is een antwoord op de eisen die de fysische omgeving stelt om te overleven
Cultuur maakt het niet mogelijk om exacte voorspellingen te maken van het
menselijke gedrag (instinctmatig gedrag = veel meer voorspelbaar)
Hst 2 Barth - Antropoloog
- Dynamische visie etnieën: ziet een etnische groep als een vorm van sociale organisatie
en cultuur is de ‘inhoud’ die gebruikt kan worden om verschillen met andere groepen
aan te duiden. Cruciaal is het afgrenzen van de ene groep van de andere groep. Dit is
het continu en actief proces van het vormen, onderhouden en afbreken van etnische
grenzen.
Hst 3 Cooly - Amerikaanse socioloog
- Onderscheid tussen primaire en secundaire groepen
Hst 3 Simmel - Duitse socioloog
- Analyse van de dyade en de tryade
Hst 3 Max Weber - Definitie macht: “macht berust op de waarschijnlijkheid dat een actor binnen een
sociale relatie in staat is zijn/haar wil op te leggen niettegenstaande weerstand van de
medeactor”
- Drie types van autoritieit (bureaucratie)
Traditionele autoriteit = machtsuitoefening wordt als legitiem beschouwd omdat ze
verankerd ligt in het geloof van de onaantastbaarheid van tradities leidt tot
stabiele en particularistische beheersingssystemen
Charismatische autoriteit = gebaseerd op een intense verering van personen
leidt tot onstabiele beheersingssystemen
Rationeel-legale autoriteit = gebaseerd op het geloof in de geldigheid van het recht
leidt tot precieze en universele beheersingssystemen
Hst 3 Ralph linton - Maakt een onderscheid tussen twee vormen van status
Toegeschreven status = positie die een individu ontleent aan bijvoorbeeld zijn/haar
afkomst, geslacht, etniciteit
Verworven status = wordt door de persoon zelf op basis van prestatie verworven
Hst 3 Lammers - Organisatiesocioloog die een onderscheid maakt tussen 4 basisgroepen binnen een
formele organisatie
Topleiding = toezien of organisatieleden conform het organisatie-ontwerp handelen
De loyale elite = staat topleiding bij in hun taken
De gewone organisatiegenoten = de andere organisatieleden binnen een bedrijf
De inheemse elite = informele leiders die optreden namens de gewone
organisatiegenoten
Hst 4 Malinowski - Onderscheid tussen primaire en secundaire instituties
, Primair = voorzieningen of instituties die bevoegdheden bevredigen, zoals voeden,
reproduceren, ontspanning, …
Secundair = instituties die leiden tot de integratie van de primaire instituties
Hst 4 Berger en - Vertrekken uit het standpunt dat elke vorm van sociaal samen handelen een menselijk
Luckmann product is
- Instituties blijven voortbestaan in verschillenden fases
Externalisatie van menselijke praxis = mensen wijzigeng de natuurlijke omgeving
waarin ze leven (ingrijpen in de externe omgeving = praxis) het ingrijpen in de
natuur heeft een invloed op de wijze waarop mensen met elkaar samenleving, zo
ontstaan er samenhandelingspatronen of structuren
Objectivatie: voor nieuwe generaties lijken deze organisatiepatronen en
handelingsvromen een objectieve werkelijkheid want zijn hebben de aanpassing
niet meegemaakt
Legitimatie: de instituties worden als wettig en wenselijk ervaren (kan op 4 niveaus)
internalisatie: institutionele regelingen, worden door de leden van de samenleving
geïnternaliseerd
Hst 4 George H. Mead - Mind, self and society: from the standpoint of a social behaviorist
Evolutionair perspectief: bewustzijn
Ontologisch perspectief: zelfbewustzijn
Me, I and Self
Hst 4 Jean Piaget - Zwitserse kinderpsycholoog
- Ontwikkelen van het denken bij kinderen
Het sensorimotorische stadium: kinderen zien de wereld vanuit hun
eigenperspectief en hebben nog geen objectpermanentie ontwikkeld
Het preperationele stadium: mogelijkheid om symbolen te gebruiken, maar nog
niet concepten zoals snelheid, volume, aantallen
Concreet-operationele stadium: redeneren, maar gebonden aan concrete zaken +
rol van andere innemen
Abstract of formeel operationele stadium: abstract denken, begrippen gebruiken,
besluiten maken, regels gebruiken (niet elk individu zal fase 4 bereiken)
Hst 4 Sigmund Freud - Weense arts
- Werking van het onbewuste
- Psychoanalyse = techniek die als doel heeft inzicht te verkrijgen in het emotionele leven
van mensen door hen vrij te laten praten over hun emoties
Hst 4 Margaret Mead - Behoort tot de culture-and-personality school
- De culturele organisatie van een samenleving heeft een invloed op de ontwikkeling van
de persoonlijkheid
- Belangrijke studies:
Coming of age in Samoa: problemen rond adolescentie en puberteit komen niet
voor in Samoa
Sex and temperament in three primitive societies: relatie tussen man en vrouw
verschilt duidelijk in andere samenlevingen dan de westerse gewoontes
Hst 4 Charles Horton - Looking-glass-self: vorming van het zelfbeeld
Cooly Stellen ons de wijze voor waarop we denken dat andere ons zien, waarnemen en
evalueren
Interpreteren van reacties en maken besluiten over de wijze waarop anderen ons
interpreteren
We ontwikkelen een zelfbeeld of een zelfconcept obv de evaluaties van de anderen
Hst 4 sulloway - Eerstgeborenen en later geborenen
Eerstgeborenen = eerder conservatief/ later geborenen eerder progressief
Eerstgeborenen = sterker, groter en intellectueel hoger ontwikkeld dan de jongere
broers en zussen
Later geborenen = opzoek naar kansen en gelegenheden om zichzelf te
onderscheiden van hun oudere broers of zussen
Later geborenen = ontwikkelen attitudes die gericht zijn op verandering en
tegengesteld zijn aan het aanvaarden van autoriteit
Hst 4 Freese, Powell, - Spreken stellingen van Sulloway tegen
Steelman = het mogelijke effect van geboorterang mag niet beschouwd worden als een
overheersend effect. Om de impact van de geboorterang na te gaan moet men de
houding van de samenleving tegenover eerstgeborenen innemen.
Hst 4 Melvin kohn - Naar gelang van de aard en de eisen van het beroepsleven van de vader, worden